23

 

Er zijn boeken waarvan je hoopt dat ze breed worden gelezen. Het boek van Ha-Joon Chang,  ’23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme’ (Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2010) is zo’n boek. Aanstekelijk geschreven, heldere stellingen, argumenten en tegenargumenten goed gesorteerd, alles bij elkaar een overtuigende aanval op het neoliberale marktfundamentalisme en, meer nog, een aanval op het denkkader dat daarbij hoort en in zowel z’n eenvoudige vorm bij beleidsmakers als in z’n meest technische en ingewikkelde vorm bij economen heeft gezorgd voor producten en processen, die ons in de meest diepe crisis sinds de Tweede Wereldoorlog hebben gestort. En nee, het is niet de globalisering die de hoofdschuldige is. Het is de deregulering die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heerst en vanaf de jaren negentig in een stroomversnelling is gekomen. Deregulering is zo ongeveer het marktfundamentalisme, daar komt het op neer. Alle onbetamelijke flauwekul die over ons is uitgestort (de markt weet het beter, de overheid weet niet waar het over gaat, de markt is het toonbeeld van rationaliteit – alsof complexiteit nog altijd een beheersbaar kunstje is dat je met het juiste inzicht heus wel onder de knie kunt krijgen, kijk maar naar de prachtige risicospreidende producten van de financiële sector, gebaseerd op de meeste geavanceerde technieken –, de lange termijn brengt iedereen de voordelen van een geliberaliseerde markt, industriepolitiek is onzin en pervers, protectie is altijd en overal uit den boze, een kleine overheid is per definitie beter dan een grote en dus zijn de verzorgingsstaat en een beetje wat voorstellend arbeidsrecht hindernissen wat ze in Zweden, Denemarken, Finland en Noorwegen daar ook van mogen vinden en hoe goed ze het ondanks hun handicaps ook doen, staatsbedrijven zijn altijd inefficiënt, hoe sneller een land aansluiting vindt bij de wereldmarkt hoe beter het is, de coup van het management heeft echt wel met productiviteit en de markt te maken, arme landen lijden niet alleen onder corruptie maar ook onder luiheid en een gebrek aan ondernemingszin enzovoorts enzovoorts) het staat er allemaal in en wordt kundig gedemonteerd. Sinds de hoogtijdagen van de deregulering (en we zitten er nog midden in) is in alle landen die er door zijn bestreken de groei getemperd ten opzichte van de decennia ervoor en waar de groei is gestegen wordt niet gedereguleerd en is de staat een belangrijke speler. Sinds de hoogtijdagen van de deregulering is de winst in de financiële sector versneld (en op z’n grenzen geknald) en die in de reële sector geremd en hoe groter de discrepantie, hoe instabieler de economie, hoe groter de onzekerheid, in het bijzonder van de werkgelegenheid, en hoe meer crisesverschijnselen (in Azië, in Latijns-Amerika, in Rusland, en nu bijna wereldwijd) het toneel zijn gaan beheersen. Noem het boek een pleidooi voor een gemengde economie en je hebt de toon wel getroffen. En laten we de ‘kenniseconomie’ niet vergeten. De opmerkingen over Zwitserland (de laagste score van alle rijke landen in deelname aan het hoger onderwijs, de grootste nadruk op industrie) zijn behartigenswaardig. Een rijk land, dat wel. Het is bij de opmerkingen over de kleinere rijke landen soms alsof we Katzenstein weer horen: kleine landen met een open economie zijn gebaat bij een activistische staat en zo lang ze zich daar aan houden hebben ze mooie kansen. Dereguleren ze – IJsland is de illustratie – dan is het wachten op de afstraffing. En vergeet verder de industrie niet want de industrie is veel belangrijker dan we vandaag de dag horen. We gebruiken meer industriële producten dan ooit, ze worden alleen steeds goedkoper omdat de diensten in productiviteit achterblijven en uit die ‘dominantie’ door duurte (en door statistische herschikkingen als gevolg van andere definities en natuurlijk ‘outsourcing’ en ‘concentratie op onze kerntaken’) leiden we dan de ‘postindustriële’ economie af. De industrie is de sector die, het lijkt de sociaaldemocratie wel, aan z’n eigen succes wordt opgehangen. Dat het laatste ‘ding’ een klacht is over het soort economie dat aan scholen en universiteiten wordt geleerd en dat niet alleen in het bedrijfsleven maar ook en misschien wel met name in het beleid de scepter zwaait, is een logische afsluiting van het boek (een laatste concluderend hoofdstuk daargelaten).

 

Deregulering dus. Ik had er meer over willen weten. De suggestie in het boek is dat we sinds het harde en vrijwel wereldwijde monetaire beleid om de inflatie in toom te houden de grotere voorspelbaarheid in de waarde van de munteenheid hebben moeten betalen met een groeiende onvoorspelbaarheid overal elders. Dat is wat te kort door de bocht. Het eigenlijke probleem is niet alleen dat een inflatiebeleid van een werkgelegenheidsbeleid niet veel overlaat (dat wordt een bijproduct), het is veeleer dat de monetaire autoriteiten aan de leiband zijn gaan lopen van de financiële sector. Het beleid van Greenspan was een beleid dat allereerst de liberalisering en waar nodig de ondersteuning en redding van de kapitaalmarkten op het oog had en het beleid van de Europese Centrale Bank is niet anders geweest. Hadden we er ooit aan getwijfeld dan heeft de crisis van 2008 en later ons de ogen wel geopend. Inflatiebestrijding is één ding (het heeft Duitsland niet belet er een sterke economie mee op te bouwen), het je uitleveren aan de financiële sector een heel ander. Dat laatste, dat is de deregulering geworden. Het eerste is  er in de tijd zo ongeveer mee samengevallen. 24 dingen had ik willen hebben dus. Maar het klopt: het belangrijkste agendapunt is het de-dereguleren: het vertragen van de snelheid van de kapitaalbewegingen (de Tobintaks wordt genoemd en Chang heeft nog veel meer pijlen op z’n boog) om ervoor te zorgen dat we niet alleen verdienen met het snelle geld maar ook nog produceren om met al dat geld wat nuttigs te kunnen doen en je niet voortdurend om je heen hoeft te kijken of je baan, je bedrijf, je woning, je spaargeld, je pensioen er nog is. Het lijkt lang geleden.

 

Ik weet wel zeker dat het boek van Chang op beleidsmakers en rechtgeaarde economen geen enkele indruk zal maken. Leuk voor de vakantie en zo, maar voor het leven van alledag ongeschikt. Dat is het echte probleem.

 

27 januari