Agaat
In Triomf van Marlene van Niekerk gaan zelfs de langzame dingen snel. In haar roman Agaat gaan ook de snelle dingen langzaam. De gebeurtenissen worden overschaduwd door wat al gebeurd is. Het verleden, de geschiedenissen van Milla en Agaat, bepaalt hun heden. Een armzalig heden want Milla is aan bed gekluisterd, kan niet meer bewegen, kan niets meer bewegen, met, uiteindelijk, één ooglid als kleine uitzondering. Milla kan niet meer spreken – haar monoloog is een monologue intérieur bij gebrek aan wat anders. Gesprekken zijn niet meer mogelijk.
Elk hoofdstuk begint met zo’n monoloog, meestal opgevolgd door een groot fragment uit haar (hun) leven (een gewone vertelling als het ware), door wat dagboeknotities en door een korte (steeds cursief gedrukte) stroom woorden die maar geen zinnen willen worden. Zoals je overkomt als je slaapt noch waakt, bewust nog onbewust bent. Als je tussen alles in zit en in die toestand gevangen bent. Zoals Milla in haar huidige situatie. Milla, bijna zeventig nu, wacht altijd op Agaat, haar zwarte dienstbode die haar verzorgt. Milla heeft Agaat als vierjarig meisje meegenomen van haar moeder, weg van een familie die haar sloeg, misbruikte, verwaarloosde. Als Milla haar vindt kan ze niet praten, is ze broodmager, zit ze onder de zweren en wonden, is vuil, heeft kapotte kleren en is bovenal wantrouwend. Het duurt lang voordat Agaat gaat praten. Tot die tijd communiceren ze met hun ogen, precies zoals ze dat nu weer doen. Alleen Agaat kan de ogen van Milla lezen. Soms doet ze dat en leest mee, soms leest ze tegen. Als Agaat op een gegeven moment een oud blad met losse letters tevoorschijn tovert – het was ooit gebruikt om haar de taal te leren – wordt ook die routine omgekeerd en op en door Milla toegepast. Milla kan door een oogbeweging aangeven welke voorbijkomende letter de juiste is. Zo worden woorden gevormd, zinnen zelfs. Vragende zinnen, zinnen vol met verwijten en beschuldigingen aan het adres van Agaat. Die er niet van onder de indruk is. Haar tijd is niet kort.
Agaat leest ook voor, soms. Zo komen de oude dagboekjes van Milla voorbij – en daarmee de geschiedenis van haar rampzalige huwelijk met Jak, de eerste jaren met Agaat, de geboorte van Milla’s zoon Jakkie, de strijd tussen haar en Jak om Jakkie, de strijd tussen haar en Agaat om Jakkie. Om Jakkie draait alles. Hijzelf levert de proloog en de epiloog van het boek – vanuit en op weg naar Canada. Hij heeft Zuid-Afrika al lang verlaten (hij ging er weg na zijn diensttijd en zijn deelname aan de smerige oorlog in Angola), nog voor de val van het apartheidsbewind, en was slechts even terug voor de begrafenis van zijn moeder. Hij was te laat om haar nog in leven te zien. Het spijt hem niet.
Jakkie is de spil. Dat is, meer dan welke andere reden dan ook, de oorzaak van zijn vertrek, zijn vlucht. Voor hem was in dat verscheurde gezin geen plek om te ademen. Zijn vader claimt hem, zijn moeder probeert hem te claimen, en alleen Agaat heeft zijn vertrouwen net zoals hij het hare heeft. Agaat en Jakkie zijn op hetzelfde moment geboren, Jakkie als de zoon waar zo naar werd uitgekeken, Agaat als de bediende die dat pas werd vanaf het moment van Jakkie’s geboorte. Dat identieke moment is de motor, haperend maar onstuitbaar, van het verhaal. Milla had Agaat in huis genomen omdat ze haar moeder iets wou bewijzen, omdat ze geen kinderen kon krijgen, omdat ze gek werd van Jak – en ongelukkig. En ook Jak iets wou bewijzen. Agaat is een oorlogsverklaring aan haar omgeving. Milla wil iets bewijzen – en Agaat is het bewijs en moet het bewijs leveren. Wist Milla waaraan ze begon? Wist ze meer dan dat ze wat rekeningen te vereffenen had? Was Agaat nog iets anders dan een wapen, een instrument? Destijds wist Milla het al niet en nu evenmin. Wat had ze gedacht bij het grootbrengen van een zwart kind in een blanke apartheidsstaat, in een blanke apartheidsmaatschappij, in een blanke apartheidsgemeenschap waarin zij en Jak hoe marginaal ook toch participeren? Dat iedereen het prachtig zou vinden? Of dat Agaat zowel met de nek zou worden aangekeken door de blanken en het voorwerp van spot zou worden van het zwarte werkvolk op de boerderij, op elke boerderij?
Wat ze weet is dat de bordjes verhangen zijn, dat Agaat niet alleen heeft geholpen bij de geboorte van Jakkie (Milla was op weg naar haar moeder voor de bevalling, Jak was als altijd afwezig en de baby moest onderweg door Agaat worden gehaald – Agaat is de vroedvrouw waar Jakkie het leven aan dankt) maar een band met Jakkie heeft opgebouwd waarbij die van haar en die van Jak slechts bleekjes afsteken. Agaat mocht haar kind niet meer zijn; ze heeft haar het hare ontvreemd. Wat ze weet is dat ze is overgeleverd aan Agaat, in alles van haar afhankelijk. Of?
De titel van het boek is Agaat, maar van Agaat komen we heel weinig te weten. Van Milla des te meer. Het verhaal is vrijwel volledig geschreven vanuit Milla, met alleen aan het begin en aan het eind een plek voor Jakkie en in zijn slotverhaal een plaats voor Agaat. Jak komt al helemaal niet aan het woord. Voor zijn perspectief is geen plaats. Het gaat niet over de strijd tussen twee vrouwen, het gaat over de beleving van Milla van haar relatie met Agaat, een beleving waarin strijd, schuld, woede, verwijt, schaamte, onvermogen en onbegrip om de voorrang strijden. Het is Milla over Agaat. Het is Milla tegen haar wereld, de wereld. Het verhaal is een klacht. De klacht van Milla.
Agaat spreekt pas helemaal aan het eind van het boek. Kort. Exact. Hard. En uiteraard via Jak, die haar verhaal – op weg, terug naar Canada, in het vliegtuig – navertelt. Inclusief de ontroerende laatste zin van haar verhaal: ‘En haar wrok taande want hij was het licht in haar leven.’ Niettemin. Zou het toeval zijn dat Jakkie te laat kwam om zijn moeder nog in leven aan te treffen? Wanneer verzond Agaat het telegram?
Die vraag moeten we zelf maar beantwoorden.
1 oktober