Adel arbeidt niet
Ik
vraag me vaak af waarom ik zo naar randfiguren trek of naar mensen die op het
scherp van de snede lopen. Niet uit idealistische overweging en ook niet omdat
ik met ze te doen heb of dat ik ze zo nodig moet helpen. Nee, waarschijnlijk
haal ik er voor mij zelf iets uit. Doorgaans hebben ze een eigenheid die mij
kennelijk aantrekt. Ik kan heel slecht tegen gebaande wegen, ook op persoonlijk
niveau en ben niet vies van sensatie maar dan wel met stijl. Ik ben allergisch
voor platvloersheid. In de jaren zestig had ik een vriend, Sjoerd genaamd.
Het gerucht ging dat hij van adel was en ooit stinkend rijk was geweest. Daar
zag je niet veel meer van. Blootshoofds en barrevoets verplaatste hij zich door
Amsterdam. De kleding die hij droeg bestond uit niet meer dan een paar aan elkaar
geknoopte draadjes katoen. Hij had lang grijzend haar en een baard tot aan zijn
navel. Menigeen zag hem voor de vleesgeworden Christus aan en ook hij hield
die mythe graag in stand. Zijn grijs-blauwe ogen lagen wat verzonken in zijn
magere gezicht en zijn van nature rijzige gestalte ‘neigde zich te buigen'.
‘s Nachts stond hij wel eens voor mijn bed, dan dacht ik dat ik ‘een verschijning'
had. Als ik dan zag dat het Sjoerd was die langs de regenpijp omhoog was geklommen
en vervolgens door het geopende raam naar binnen was gestapt, wist ik dat het
om een borreltje ging. ‘Eentje maar', zei hij met een kwajongensachtige lach
op zijn gezicht. 'Nou, eentje dan', verzuchtte ik, ‘je weet de weg.' Na dat
borreltje klom hij het raam weer uit en bracht de nacht door in de zandbak naast
het huis waar ik woonde. Hij had bijna nooit geld maar als hij het had, was
het binnen een dag op. Hij had eens een briefje van honderd gulden op zak en
stak het zomaar in de fik en zei: ‘Ach, als ik iets nodig heb dan neem ik het
wel.' Op die manier liet hij zien wat hij van geld vond. Op een dag belde mijn
vriendin Gertje al vroeg in de ochtend bij me aan. Zij stoorde me in mijn winterslaap.‘Sjoerd
heeft gisteravond een ongeluk gehad', zei ze ongerust, ‘hij ligt in het ziekenhuis.'
Een paar uur later toen we bij hem in het Wilhelminagasthuis waren, zat Sjoerd
alweer monter en frisgewassen tussen de witte lakens. Een verpleegster zat op
het randje van zijn bed en draaide vlechtjes in zijn baard. Grinnikend zei hij
dat het geen kwaad kon om in deze barre tijden eens even in een echt bed te
slapen en lekker verzorgd te worden. En ach ja, die auto had hem lichtelijk
aangereden en toen de ambulance kwam, dacht hij laat maar gaan, ik zie wel hoe
het loopt. Drie dagen later haalden Gertje en ik hem weer op uit het ziekenhuis.
Ik geloofde mijn ogen niet. Daar kwam Sjoerd aangelopen. In een keurig pak,
zijn haar pas gewassen, kortom: spic en span. Hij droeg een grote koffer. ‘Wat
zit daar in die koffer, Sjoerd', vroeg ik, het meest vreselijke vermoedend.
‘Armen en benen op sterk water, of zo?' ‘Dat laat ik je straks wel zien', grijnsde
hij.
In
mijn Fiatje 600 scheurden we door de straten want met mijn grenzeloze nieuwsgierigheid
kon ik het moment suprême bijna niet afwachten.Toen wij bij mij thuis
kwamen, ging de koffer open en daar kwamen uit: een paar operatiejassen, een
verpleegsterscape, twee doktersjassen, een stethoscoop en nog enige operatie-instrumenten.
Zo komt Splinter door de winter, dacht ik bij mezelf, oftewel: Arbeid adelt
maar de adel arbeidt niet.
es van essen