ARCTISCHE JAREN
Nu opeens een winter in aantocht is – minstens een wintertje, misschien zelfs een echte – ook nu Oud Jaar met rasse dagen op ons afstevent, lijkt me het moment gekomen om terug te blikken op enkele diepvriesjaren in mijn leven.
Tropen jaren tellen dubbel – ik ben met een Indische getrouwd, heb daar nooit van gemerkt, maar het blijft mogelijk met al dat koloniale gezuip. Maar veel zekerder is dat de Arctische jaren die ik in de CPN sleet een driedubbele aanslag op me pleegden. Zeg maar, dat ik op mijn 62e zo’n beetje een 80-jarige ben geworden. Eén ding is geheel zeker: om dit te verhelpen gebruik ik geen viagra, een goede fles wijn en verder geheelonthouding werken patent.
Ergens in de archieven van die malle partij moet nog wat schrijfwerk van me liggen, stukken waarmee ik - ergens in de jaren ’70 - een poging deed om aan het ondemocratisch centralisme van die organisatie een einde te maken. Zoals het een goede autoritaire organisatie betaamt, noemde de partij (door de leden steevast met een hoofdletter P geschreven én gesproken…) het eigen systeem ‘democratisch centralisme’.
Ik leg het even uit. Partijen in een parlementaire democratie representeren bepaalde sociale en economische belangen – zeg maar stromingen. Om die functie te kunnen vervullen, zijn er heldere partijprogramma’s nodig die op congressen bij meerderheid worden aangenomen. Daarna houdt elk partijlid zijn kritiek binnenskamers – tot een volgend congres. Dit gaat op voor elke goed functionerende parlementaire organisatie. Clubjes als TON en de PVV zijn dus geen partijen, maar slechts linke… clubjes.
Dat de CPN – de Communistische Partij van Nederland; het ‘van’ om duidelijk te maken dat de partij geen zetbaas meer wilde zijn van China of de Soviet Unie – dat die CPN het etiket ‘democratisch centralisme’ voor zich alleen opeiste, was dus al een gotspe. Veel erger was het, dat het nu juist bij ons helemaal niet zo democratisch toeging. Ik leg het weer even uit.
Op de avond dat een partijafdeling zijn afvaardiging naar het congres bijeenstemde, verschenen er opeens vier keer zoveel leden als normaal – zo niet nog meer, mensen die je op deze manier pas na jaren leerde kennen. Er werd echter steeds opnieuw per kandidaat gestemd. Een kleine meerderheid koos op die manier een complete afvaardiging volgens het eigen standpunt; elke keer werd een kandidaat van ‘de andere kant’ gewoon weggestemd. Bent u achteraf vast niet meer verbaasd dat op dit soort ‘communistische’ congressen steeds met zo’n 100% meerderheid voor of tegen werd gestemd…
Afin, ik herschreef de statuten zodanig, dat dit niet meer zou kunnen gebeuren. Uiteraard geen schijn van kans – het leidde mijn vertrek uit de club in. Het was daarvoor jarenlang afzien, het vertrek was een bevrijding. Met mijn anarchistische inslag had ik me bij het vertrek van P. De Groot – het autoritaire opperhoofd van na de oorlog – als lid aangemeld, uiteraard met goede bedoelingen. Maar ik knevelde me er zelf mee. Na afdelingsvergaderingen moest ik soms een uur of wat tot kalmte komen – ongezond.
Eén incident vergeet ik nooit. Op een afvaardigende bijeenkomst verscheen de man, die ik wel eens vaker bij zo’n gelegenheid had zien opdraven. Hij boezemde me diep ontzag in - had gevochten in de Spaanse Burgeroorlog, en mijn Friese verzetsvader had me wel ingepeperd dat dit ‘de besten waren geweest’.
Op het moment dat ik namens de oppositie een verkeerd vallend voorstel, voor zover ik me herinner, scherp en voor het gehoor begrijpelijk had verdedigd, stond deze al oudere man op. Ik verwachtte een vernietigende verbale uithaal, een draai om mijn oren met woorden.
Wat hij deed was dit: met een geweldige ruk scheurde hij alle knoopjes van zijn overhemd eraf, eronder zat geen ander hemd. En zichtbaar werden een reeks parallelle verschrikkingen, ooit in zijn huid gescheurd door een Franco-prikkeldraadversperring. Verder nog een kogellitteken.
Een schandelijke vorm van debatteren, maar wat nog te zeggen op zo’n moment? Of zelf nu?
Sierksma, 23.12/2008