Soms
als ik denk
dat de eeuwen elkaar altijd
mislopen
en de zin van het verleden
ermee verdwijnt,
dan kijk ik naast mij.
Een man van tachtig zit
te zitten als vroeger, maar
wel
als stampot in de zomer.
Kan de ochtendspits nog lomer?
Zijn oogjes sprankelen nog
zijn jeugd.
Hij geurt naar wekpotten in de
bezemkast
en voelt, als ik hem zou
betasten,
naar vadertje Drees,
wiens hand dit lage land
herrees.
Zijn grip vervaagt en mistig
zijn eeuw
in het wandelen van de tijd.
Nooit
Het ijs van de wereld heeft nog nooit zo koud geklonken.
De tijd nooit eerder onthandzamer dan ‘nee’.
De jeugd in mijn adem nooit dieper gezonken,
en tranen nooit zouter dan die van de zee.
Het talen naar vrede nooit sipper dan weemoed.
Het dralen met rede nooit heter dan peuken.
Contact met berooiden nooit mooier dan voorspoed,
en dichten nooit grijzer dan geletterd neuken.
Het hart was nooit eerder als liefde met spruitjes.
De haat niet eerder correcter dan ‘juist’.
De lach nooit triester in t’spiegelen van ruitjes.
En troost nooit bleker, een wankele knuist.
Thema Thuis(14-2-2008)
Het was even zoeken naar waar
mijn zinnen hun gelag genieten en
waar mijn woorden een puntje
krijgen, waar mijn hart gelijk opgaat
met het klokje dat tikt
zoals het nergens tikt. Waar mijn
lach
wordt ontvangen zonder schamper.
Daar waar de schaal altijd rondgaat,
belegd met troost en toast.
Daar waar mijn biertje klaarstaat.
Auroro Guds