BEELDLOOS

 

Voor de serieus ouderen onder U, vooral het mannelijk deel van mijn lezers, gaat er iets gloeien bij het horen van de naam ‘Ir. Ad van Emmenes’. Ik geloof zelfs dat hij familie was van de nogal opzichtige dame met dezelfde naam, maar zeker weten doe ik het niet. Deze ingenieur was nu juist geheel niet opzichtig, zelf onzichtbaar voor wie hem van belang vond. Televisie bestond in die donkere dagen nog niet, althans niet in Nederland – zelfs geen zwart-wit. Hij versloeg in toen het voetbal op een zender van de draadomroep.

 

Gekluisterd aan het apparaat luisterde ik naar zijn stem. Op mijn buik, en door mijn moeder voorzien van enkele versnaperingen, hoorde ik hoe “Oranje het in de Hel van Deurne” ging opnemen tegen “de Rode Duivels”, vanzelfsprekend in hoofdletters gesproken. Zonder beeld moest je het doen met de door de ingenieur op hoge toeren gezette eigen fantasie. Voor jongetjes van toen was de verbeelding aan de macht.

 

Nog steeds hebben die oude matches tussen ons elftal en dat van de zuiderburen een magische status. Die ‘Hel’ wás de hel, en nóg lijken de ‘Rode Duivels’ in mijn bovenkamer op Rowan Atkinson, toen hij als een diabolus de grootse act van zijn Boston-show begon: hoorntjes en kleding waarin je overigens duidelijk niet kunt voetballen. Ik zag de spelers voorzien van uit de voetballijven opflikkerende vlammetjes. ‘Oranje’ was weliswaar ‘van ons’, maar imaginair een stuk saaier.

 

Een soortgelijk beeldloos geproduceerd beeld had ik bij het horen of lezen van het woord ‘Asmogendheden’ - tot ik geschiedenis ging studeren. Thuis was ik tot in het merg doordrongen van de, ja alweer, duivelse kwaliteiten van Japan, Italië en ‘de Moffen’ – een onmiskenbaar in het zwart gestoken volkje. Zodra ik het woord ‘Asmogendheden’ in beeld kreeg, strooide mijn fantasie zwartgrijze as over het gelezene, van een kleur die ik later in een krater bij Castel Gandolfo zou zien. Bij het keer op keer bewonderen van de film Koyaanisqatsi, die uitgaat van de Hopi verbeelding van een asbeker die over een verloederde, uit balans geraakte wereld wordt uitgestort, komt dit woord steeds in me op.

 

Wanneer Ir. Van Emmenes ‘het betreden van de grasmat’ door de Nederlandse keeper aankondigde – die heette de Munck -, om daarna verslag te doen van diens wonderbaarlijke reddingen, sprak hij altijd over ‘de Zwarte Panter’. Op mijn buik, daar voor het draadomroeptoestel, was ik voortdurend in Artis. Toen ik later De Munck voor het eerst op een zwart-wit scherm zag, als een echt mens zeg maar, kon ik mijn ogen niet geloven.

 

Sierksma, 5.2/09