De maan scheen over de bogen.
De treinen reden over de dijk en
het gebouw van machinefabriek Jonker,
stak hoog en donker boven mij uit.
Voor mij op de cafétafel stond een kopstoot
ik proostte op mijn oma.
Ik dacht de stem van mijn opa te horen,
en rook nog steeds de geur van teer en olie.
Een auto reed de Bickerstraat in.
Ik voelde de handen van mijn vader en moeder,
terwijl ik als kind tussen hen in liep
en naar hen opkeek.
Mijn angst voor het donker lachten zij toen weg.
Ik dronk van de jenever.
Niets kwam er ooit nog terug.
Ik dacht aan het lied,” Amsterdam huilt”
en had niets te lachen.
|