Binden
Het kan, in je eentje bowlen. Gezellig is anders. Je speelt tegen jezelf en anderen heb je niet nodig. Het is een ik zonder jou, laat staan tegen jou. De enige competitie is de wedstrijd die je met jezelf speelt. Zoveel dit keer, zoveel vorige keer, zoveel hier, zoveel daar. Volgens een bezorgde Robert Putnam komt het steeds meer voor. Bij wijze van spreken dan, als metafoor voor het moderne leven waarin je aan jezelf genoeg hebt. Denkt te hebben. Wilt hebben. Geen afhankelijkheid, daar gaat het maar om. Bij de flexibele mens hoort geen afhankelijkheid. Sennett schreef het al.
Een Europeaan, en zeker een Nederlander, zal niet zo snel aan bowlen denken. Eerder aan voetbal. Dat is wel zo handig. Voetbal kun je niet je eentje spelen. Je kunt in je eentje een balletje trappen, dat wel, maar dat is geen voetbal. Voor voetbal moet je op z’n minst met z’n tweeën zijn en bij voorkeur zelfs met tweeëntwintig. Plus een scheidsrechter, twee grensrechters en tegenwoordig zelfs een ‘vierde man’. En publiek, vergeet het publiek niet. Voetbal is niet alleen een spel van wij, het is een spel van wij en zij. Niet van wij of zij, maar van wij en zij. Met het voorbeeld van het voetbal kun je iets zeggen over de maatschappij (de spelers, de clubs, de competities, het publiek) en de staat (de spelregels, de scheidsrechters, de bond tot en met het Wilhelmus, het tuchtrecht als het nodig is). De maatschappij als een voetbalcompetitie, deel van een internationale competitie, deel van een wereldcompetitie. Meervoud zelfs.
Zonder zij geen wij. Ja, als ze helemaal geen voetbal willen spelen, als ze hun eigen spelregels willen opleggen, hun eigen kalender, hun eigen tucht, als ze hun gewoonten verabsoluteren als ze het voetbal willen verbieden niet alleen voor hen maar ook voor ons – dan wordt het moeilijk. Zolang het niet zo is, dan krijgen we alleen maar meer competitie, misschien zelfs een sterkere competitie, een bredere basis om vertegenwoordigende elftallen samen te stellen. Mooi toch?
Zou Job Cohen van voetbal houden? Met mate zou ik denken. Zolang het niet het enige spel is en zolang niemand per se mee hoeft te doen is het in orde. Als het een monocultuur wordt, iets van een meerderheid die van geen enkele minderheid iets pikt, dan wordt het een ander verhaal. Dan gaat Cohen op de rem staan. Het is een beetje vergezocht misschien maar ik denk dit te mogen afleiden uit Binden, het boek van Cohen dat in de herfst van vorig jaar is verschenen. Behalve de inleiding (een interview met Bas Heijne) doet het boek verslag van een serie lezingen, onderverdeeld in drie rubrieken (over samen leven; over vrijheid; over religie) die Cohen sinds zijn aantreden als burgemeester van Amsterdam heeft gegeven. Dat laatste moet erbij want hij heeft het over het leven in een complexe en dichtbevolkte stad met 175 nationaliteiten en een klimaat dat overschaduwd wordt door de nasleep van 9/11, de latere terreuraanslagen, de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Een stad in een staat die Cohen als seculier beschouwt, en dus met een scheiding van kerk en staat. Die scheiding is niet exclusief (zoals in Frankrijk waar de staat het publieke domein definieert) maar inclusief (een situatie waarin verschillende religies en levensovertuigingen een gelijk recht hebben zich in het publieke domein te manifesteren). Of zijn ‘neutraliteitsbeginsel’ ook ‘compenserend’ is (het scheppen van gelijke kansen om je te manifesteren) laat Cohen in het midden. Religies binden en bovendien, ze binden los van etniciteit, nationaliteit, klasse, kleur. Dat is een interessante stelling – ik had er meer over willen weten want hoewel de stelling op zich vanzelf spreekt ben ik nieuwsgierig naar de sociale uitwerking ervan.
Maar eigenlijk gaan de lezingen maar over één ding: wat we aanmoeten met een land dat geen land van minderheden meer is. Er wordt alleen nog gevoetbald in dit land. Tot voor kort hadden we ook het koninklijk huis nog als bindmiddel maar sinds het gesodemieter van de troonopvolger smelt ook dat als sneeuw voor de zon weg. Ja, ik weet het, Cohen heeft het over de gevolgen van de ontzuiling en ik heb het over voetbal maar het gaat over hetzelfde. Voor een beetje socioloog, ten slotte, vallen het begin van de professionalisering van het voetbal en het verval van het gezag van de kerk en daarna van alle gezag (behalve dat van de nieuwe beroepsgroep van de voetbaltrainer) allerminst toevallig samen. De start was bij het Limburgse Fortuna, de naam zegt het al. Het bisschoppelijk mandement probeerde het tij nog te keren maar het was fout gericht. Het mandement had niet door dat geen enkele zuil de storm van de commercialisering zou doorstaan. De VARA werd Paul de Leeuw, het Vrije Volk werd opgedoekt, het NVV omhelsde de katholieken, de PvdA ontsloeg de onderwijzers en kwam in handen van doctorandussen. Voor andere zuilen (de katholieke en in mindere mate de protestantse) gold iets vergelijkbaars. De liberalen deden nooit mee, dus ook nu niet. Need I say more? Met de kennis van nu kunnen we zeggen dat de bisschoppelijke kennis van toen de bisschoppen verleidde tot een overbodige want te late waarschuwing tegen andere, hen niet welgevallige, zuilen. Bisschoppen die zich laten verleiden, dat wordt niks. Het werd niks.
In de jaren zestig ging het snel, en vanaf de jaren zeventig bevonden we ons aan de top van het internationale voetbal en lagen de zuilen in coma. Het voetbal was meerderheidscultuur geworden. Zelfs de grachtengordel wist het voetbal te vinden – op de tribune en in de skybox maar toch. Van concurrentie van het vertrouwde korfbal viel niets meer te vrezen. Alleen als je sponsors zo gek wist te krijgen telde je mee – op grote afstand en met de nodige jaloezie, maar je telde mee. En professionaliseren moest elke sport, dat was de voorwaarde. De schaduw van het voetbal bedekte alles. De nieuwe professional vinden we daar, in het voetbal. Commerciële professionaliteit, commercialisering van professionaliteit: zeg me bij welke club je voetbalt en ik weet hoe het staat met je professionaliteit, de professionaliteit van jou en van je ‘omgeving’.
Ik dwaal af want hoewel we in de nieuwe professional de kiemen van een nieuwe meerderheid mogen vermoeden, het is niet de meerderheid waar Cohen zich over buigt. Die meerderheid baart Cohen zorgen. Daar ga ik in mee. Die meerderheid (‘onze normen en waarden’, ‘onze cultuur’ en dat soort ongemak) bestaat uit weinig anders dan uit een totale ontkenning van z’n eigen recente verleden van een nuchtere sloomheid en een slome nuchterheid, van een bekrompen seksuele moraal en een afweer van het ongewone. Op zo’n ontkenning gedijt wel schreeuwerigheid maar geen cultuur. Het lukt wel om anderen de mond te snoeren, en als het niet lukt schreeuwen we gewoon wat harder, maar het haalt het gesprek en de mogelijkheid van debat en dialoog onderuit. Inderdaad, je kunt al bijna beter naar een voetballer luisteren dan naar een politicus. De eerste kondigt zwijgend een nieuwe meerderheid aan, de tweede denkt hem bij Maurice de Hond te kunnen bestellen. En denkt dat je best alleen kunt voetballen. Vooruit, onder elkaar dan. Of toch niet? Het is, zoals het jargon dat voorschrijft, een inkoppertje.
Cohen zelf schrijft het verdwijnen van de zuilen en het ontstaan van onze luidruchtige meerderheid toe aan een aantal ‘processen’: individualisering, democratisering, privatisering, globalisering, secularisatie. Het zal wel, al is het wat veel, al is het wat heterogeen, en al is in de tijd wat verspreid. Meer iets voor een schoolboek met bullets. En hoeveel het ook is, er ontbreekt iets aan deze set van ongelijktijdige gelijktijdigheden. Wat ontbreekt is de erosie van de staat en het poreus van worden diens grenzen. Dat is een pijnlijk gemis. Het raakt aan Cohen’s grote project, het construeren van een modern en leefbaar concept van burgerschap. Traditioneel werd dit land der gematigden gematigd gehouden door de zuilen die van ons allemaal een lid van een minderheid maakten, en door een concept van de ‘burgher’, dat product van gelijktijdige maatschappij- en staatsvorming waaraan we in de zeventiende eeuw zijn begonnen en waaraan we nu opnieuw moeten beginnen – maar dan zonder het gemak van een begrensbare maatschappij en zonder een staat die nog effectieve, voor allen bindende, grenzen kan stellen.
Die staat, die ontbreekt bij Cohen. De stad, die moet hem maar koesteren. Doe ik ook. Alleen, tussen stad en staat zit tegenwoordig de wereld. Dat heeft Cohen overigens meer dan duidelijk gemaakt. Voor zijn stad. Voor de staat van het land is net wat meer nodig. Wat anders ook. Amsterdam heeft 175 nationaliteiten stelt Cohen. Ik neem het aan en ik vind dat Cohen z’n best doet ze allemaal in hun waarde te laten. Hoe? Door aan elk lid van elke nationaliteit evenveel gewicht toe te kennen en in dezelfde beweging nationaliteit als zodanig te relativeren. Dat is knap. Maar voor het land Nederland gaat die regel niet op. In dat land hebben we een verkrampte meerderheid die geen 175 nationaliteiten erkent maar uiteindelijk slechts één – die meer waard is dan de overige 174. De weg van Amsterdam naar Nederland is geen rechte weg. De richtingaanwijzers spreken elkaar tegen en de finale bestemming van de reizigers is onduidelijk. Dat is een gat. Zelfs een wereldtitel deze zomer zal het niet kunnen vullen. Wij worden er eventueel eventjes wat groter van, wat inclusiever ook. Frankrijk 1998 is het voorbeeld. Het heeft niet lang geduurd. De stad is voor binding te klein, de staat te gerafeld. Dat probleem, daar zou ik nog wel een lezing van lusten. De bundel smaakt naar meer.
19 januari