Blinde vlek
Je ziet wat je ziet, niet dat je ziet. Dat laatste weet je, maar je ziet het niet. Elk zien is onafscheidelijk van die blinde vlek. De blinde vlek verschilt per persoon, afhankelijk van geboorte, geboorteplaats, omstandigheden van opgroeien, doen en laten, het per dag veranderende geheel dat, onder omstandigheden, de schrijver tot zelfbeschrijving uitnodigt. De zelfbeschrijving is een altijd onvolledige beschrijving van je blinde vlek aan de hand van wat je zag.
Ooit ben je begonnen met zien en dus met het maken van onderscheid. ‘To become a writer, that noble thing, I had thought it necessary to leave. Actually, to write, it was necessary to go back. It was the beginning of self-knowledge’ (V.S. Naipaul, Literary Occasions. Picador 2004: 79). Zo is het maar net. Al het werk van Naipaul staat in dat teken. Hij is het product van twee keer een migratie, van zijn voorouders uit India naar Trinidad, van hemzelf van Trinidad naar Engeland. India, Trinidad, Engeland, dat zijn de coördinaten van zijn zien en beleven en van zijn blinde vlek. Zijn gehele oeuvre staat in dat teken, ik bedoel, het is er door getekend. Meer en meer is Naipaul ertoe over gegaan die tekening te tekenen, zijn blinde vlek in kaart te brengen. Nu, met Naipaul inmiddels diep in de zeventig, is een nieuwe bundel essays, A Writers’s People (Picador 2007) verschenen met als ondertitel Ways of looking and feeling. De essays bevatten wat ze beloven. Toch had ik liever een andere ondertitel gehad, iets in de trant van ‘de verkenning van de blinde vlek’. Want over blinde vlekken, daar gaan de essays over. Van anderen en via anderen van hemzelf.
Het wonderlijke is dat de mensen die Naipaul beschrijft, van Derek Walcott tot en met de Mahatma, van zijn vader tot en met hemzelf, allemaal op zoek lijken naar hun plek in de wereld, dat ze niet zien wat ze niet zien en dat vaak ook niet weten. Hadden ze het meer moeten weten dan ze het wisten? Ik vermoed het, ik vermoed dat Naipaul’s kritische bespreking van hen daar begint. Dat geldt ook voor Flaubert, wiens Salammbô de maat wordt genomen en het geldt bij uitstek voor Anthony Powell, de man die hem vriendschap aanbood en wiens werk hij niet las tot na diens dood en dat hem, Naipaul, teleurstelde. Powell, de non-migrant in een wereld van migranten, de man die genoeg wou hebben aan z’n eigen, grotendeels zelf samengestelde, wereld en die niettemin niet zag dat de wereld veranderde en daarmee zijn wereld. Powell zag het niet omdat hij – gevestigd onder gevestigden – het minder dan anderen, minder gevestigden, tot inbegrip maakte van wat hij wel waarnam. Hij was, zoals hij ooit tegen Naipaul zei, ‘a travel writer who doesn’t actually travel’ (A Writer’s People: 50). Geen blinde vlek, meende Powell, maar een vondst die hem nogal aanstond. Het is een prachtige, paradoxale, samenvatting van Naipaul’s essays. Naipaul schrijft nooit over vervreemding, steeds over bevreemding, die niet ophoudt en die als ze ophoudt het schrijven overbodig maakt. Naipaul streeft niet naar een of ander gelijk want het gelijk van de blinde vlek gaat niet verder dan de oproep, de noodzaak, er niet aan voorbij te gaan. Het heeft opnieuw geleid tot een groots boek.