BOUWPUT
Sierksma
Flatneurose kan ik het niet noemen. Daarvoor woon ik in een te nette buurt met te fraaie, zogeheten herenhuizen. Bij aankoop, zo’n tweeëndertig jaar geleden, bleken de muren weliswaar éénsteens dun, net als die van de rest - maar toch: herenhuizen. In mijn geval, bewoond door iemand die zich dan wel niet als ‘heer’ vermomt, maar die zich in elk geval als een ‘gentleman’ probeert te gedragen. Inmiddels is mijn korte straatje een bouwput geworden – een betrekkelijk geïsoleerd stukje van een veel langere, vreemd kronkelende straat. Zo diep, dat mijn ziel er steeds opnieuw depressief in tuimelt.
Een villaneurose zeg maar. Sinds anderhalf jaar zijn er van de zeg maar zestien huizen in mijn straatdeel zeven verkocht. Sindsdien is het grote slopen en rippen begonnen. Niet alleen hadden deze nieuwe yuppen van zo’n veertig jaar oud, plus kinderen, geen oog voor de aanstormende economische crisis - ze besteedden gemiddeld zo’n slordige acht ton euro per huis. Ook is het in hun kringen blijkbaar ‘bon ton’, dan wel een ‘must’ om na aankoop het gehele huis te ‘verbouwen’, dit volgens eigen smaak en opnieuw voor minstens een tonnetje.
Het is geheel van de gekke. Nog geen vijf jaar geleden restaureerde schuin tegenover ons de toenmalige koper van ‘de half-vrij staande stadvilla’ zoals het makelaarsjargon dat omschrijft, zijn gehele huis. Zeer fraai, inclusief een opnieuw aangelegde en later goed gevulde wijnkelder, waarop uw povere auteur maar wat jaloers was. Het pand werd augustus verkocht en sindsdien is de sloop begonnen. Alles eruit, elke draagmuur, elk fraai detail – en niet te vergeten zonnepanelen op het dak, want men toont zich groen bewust. Elders wordt van de mooie gebouwen een ‘doorzonwoning’ gemaakt – alle houten panelen eruit, de schuifdeuren weg, en gaat u maar door. Ook zijn er op- en aanbouwen aangebracht van een godsgruwelijke allure.
To mijn spijt behoor ik tot de geluidsneuroten hors concours: irritant kabaal - en voor mij is vrijwel elk geluid irritant - komt wel feitelijk van buiten, maar qua ‘gevoelstemperatuur’ lijkt het vanbinnen, vanuit mijn eigen hoofd te komen. Niks aan te doen. Mijn vrouw noemt me weliswaar universeel overgevoelig, ik geef alleen mijn geluidsneurose grif toe.
Al anderhalf jaar zijn nu de bouw- en sloopgeluiden aan de gang. Sinds elke bouwvakker zijn eigen verplaatsbare Black and Decker gereedschappenset bezit – elektrische steenzaag, elektrische houtzaag, elektrische drilboren, grondboren en wat dies meer zij – verandert mijn straat in een bouwplaats waarin op de stoep, of zelfs op de rijweg plaat na plaat marmer, tuintegel na tuintegel wordt verzaagd, of een hele berg bouwhout een kopje kleiner wordt gemaakt. Al een jaar kun je de auto niet meer parkeren, omdat zeker op vier dubbele parkeerplekken van die containers staan geplaatst, met van die leuke, schuinsopstaande wanden, zodat je bij de avondwandeling op de stoep – als je niet uitkijkt – je jas, dan wel je eigen vel ophaalt aan overhangend hout met bespijkerd bouwvuil. Van binnen uit de huizen bonkt contactgeluid dwars door mijn kwartetmuziek of door het boek dat ik probeer te lezen – op dit moment door het schrijven van dit stukje heen.
Bouwvakkers van vroeger maakten al veel lawaai. Vond ik. Maar het proletariaat van tegenwoordig spant de kroon. Speakers die, als was het tijdens een popconcert op het Malieveld, ‘muziek’ uitbraken, voortdurend naar elkaar schreeuwende lui, doodgemoedereerd hun pick-ups, busjes en SUVs op de weg parkerend, zodat je verderop niet eens meer kunt zoeken naar die wellicht niet aanwezige parkeerplaats. Sommige riphuizen worden maandenlang bewoond door migrantenclubs bouwvakkers. Ook in het weekend komt vandaar vaak een teringherrie.
Nu de eerste nieuwe bewoners arriveren – buren die uiteraard van de bouwellende zelf niets hebben gemerkt omdat ze toen nog in hun oude huis elders woonden – zie ik, dat het verschil met het bouwproletariaat in hun dienst niet al te groot is. Opnieuw extravagante auto’s, het type waar ik op de weg steeds achter rijdt zonder in de verte het verkeer te kunnen beoordelen, omdat ik tegen de achtermuur van dit soort auto’s aankijk. Hoe duurder de herenhuizen, des te proletiger de eigenaren - hypotheseer ik maar even wat weg in mijn over een jaar opgebouwde depressieve woede…
De smaak van deze vernielers is opvallend: achtertuinen worden voor het gemak geplaveid, voortuintjes vol met grind gegooid en bezet met oversized potten, waarin vaak ook oversized en precies de verkeerde, want bij de classicistische architectuur niet passende beplanting wordt geplaatst. Uit schoorstenen komen sinds kort weer kostelijke, extra zware CO2 dampen. Het is immers toch zo ‘rustiek’ om weer ‘echt hout’ in de ‘open haard te stoken. In de stad op het land wonen, een postmoderne Rousseau-beweging: terug naar ‘de natuur … Kortgeleden trokken de overburen in: ik zag ze twee keer ’s avonds vanaf de straat hun eigen huis binnenkijken – of alles er voor de buitenwereld wel goed en mooi genoeg bijstaat. Als was het huis al weer ‘te koop’.
God - moge de crisis hen hard raken, mogen hun huwelijken eraan gaan, zodat ze het spul weer van de hand moeten doen, mogen hun opgroeiende pubers, wier geluiden ik nu al anticiperend hoor, hun idylle zo verzieken dat ze, in plaats van daarin te wonen, zich in een inrichting wanen. Gewoon als straf.
11.12/2008