Breien, deel één
Deze column gaat over breien. Breien raakt weer in de mode. Het is grofweg verschrikkelijk.
Opgegroeid in de jaren zestig met een breiende moeder, ben ik de aan gewezen persoon om mij met hand en tand te verzetten tegen het herontdekken van het breien of willekeurig welke andere vorm van hand werken dan ook. De nietsontziende terreur die er vroeger bij ons in de familie door breiende, vrouwelijke familieleden zoals, Moeder, oma,s tante,s en nichtjes werd bedreven tegen over het mannelijk gedeelte van de familie, was van een verschrikkelijke meedogenloosheid waar menig dictatuur jaloers op zal zijn. Mannelijke leden van de familie die ook maar enige interesse hadden in handwerken werden als zijde sok zijnde niet meer serieus genomen. Zelf heb ik eens stiekem na uitvoerige controles van ons huis, zodat ik zeker wist dat ik alleen thuis was en met de deur op slot, uit angst dat ik betrapt zou worden door mijn broers of nog erger mijn vader, de Ariadne, het lijfblad voor breiend Nederland en uitpuilend van breipatronen, door zitten lezen. Maar dat was eens maar nooit weer. Mijn zenuwen waren te zwak voor zoveel spanning.
Niet alleen het feit dat je nooit zomaar in een stoel of op een bank kon gaan zitten zonder dat je eerst goed moest kijken of er niet een verzameling brei of andere naalden richting zitvlak of naar nog edeler delen wees. Maar vaak lag er, verstopt in het hoogpoligetapijt, ook hier en daar een naald die mijn moeder vaak terug vond, door uit roepen van pijn en eindeloos gevloek van haar mannelijke medebewoners zoals haar man en haar onschuldige bloedjes van kinderen die steevast op blote voeten in de verstopte naalden stapte. Wij waren daarna vaak nog lang bezig waren om met een andere naald de altijd afgebroken naaldpunten uit onze voetzolen te verwijderen. Menig keer ben ik bij de eerste hulp in het toen nog aanwezige Wilhelmina Gasthuis in de Helmerstraat beland, waar ze in de kleine behandelkamers mijn voeten weer naaldvrij maakten. Het eerste wat mijn moeder vroeg als ik dan weer thuis kwam was, waarom ik de naald die volgens haar vast nog goed was, niet mee terug genomen had. Ik persoonlijk denk dat de hoeveelheid naalden die ik in mijn jeugd in mijn voeten, mijn kont, armen, rug en de al genoemde edeler delen, mij er later voor behoed hebben om aan de drugs te gaan. Waar bij ons in de buurt toch hevig mee geëxperimenteerd werd. Diep in mijn hart ben ik er van overtuigd dat van de meeste junks die er zijn, de moeders niet aan handwerken deden. Want zoals ik proefondervindelijk heb ervaren hou je een panische angst voor naalden als je moeder dat wel deed. Zelfs nu ik toch over de vijftig ben neem ik mijn jaarlijkse griepprik nog het liefst onder volledige verdoving.
Maar ook de jeuk van een pas gewassen zelf gebreide trui in de winter is een lijdensweg, die je naar mijn mening een onschuldig kind niet aan mag doen. Dat jeuken gaat wel over als je warm bent, zei mijn moeder dan terwijl haar breipennen vervaarlijk onder haar armen uitstaken. Maar hoe je dat op school moest doen bij een gebrekkige brandende kolenkachel, terwijl het buiten toen nog, op zijn minst tien graden onder nul vroor, dat vertelde ze er niet bij.
Later meer.