Burgerplicht

 

Stel je voor. Wat ik weet maar jij niet, gebruik ik in mijn voordeel, niet in het jouwe. En omgekeerd. Als je elkaar dan toch nodig hebt wordt het lastig tenzij er een derde is die erop toeziet dat geen van ons de zaak flest. Die derde moet competent zijn maar moet ook over sancties beschikken. Anders wordt die derde weer geflest en wel door ons beiden. Noem het eerste probleem ‘moral hazard’ (we belazeren de kluit) en het tweede ‘adverse selection’ (de toezichthouder die de kluit niet goed genoeg in de tang neemt, is de klos want krijgt alle oplichters) en je hebt een theorie die alles kan verklaren. De leiding van organisaties, het opmaken van verzekeringspolissen en het functioneren van fondsen, het ontstaan van de staat, het disfunctioneren van de verzorgingsstaat, het gebruik en het misbruik van de sociale zekerheid en ook de noodzaak, de functie, van banken. Het is een theorie, zo algemeen, dat ze kan concurreren met die van Pangloss. Beter nog, het is het moderne, dynamische, variant van Pangloss. Je kunt ook zeggen dat als joden, negers, intellectuelen, de elite, de linkse elite, graaiende bankiers, malafide uitkeringstrekkers (de soort eigenlijk) en dus de behoefte aan toezicht en beheer, dat als die allemaal niet bestonden ze moeten worden uitgevonden. Meer nog, ze zijn uitgevonden, ze bestaan en nu weten we ook waarom. We hebben een verklaring voor alles en ook dat wat niet leuk is, is bij nader inzien toch nodig want we leren ervan en doen het goede in de toekomst nog beter. De rest is moraal en die roepen we in als we zelf ook even twijfelen aan ons verhaal en toch niet kunnen en willen leven met de daardoor ontstane verwarring.

 

De panglossiaanse bankentheorie is nieuw. Banken zijn ervoor om transacties mogelijk te maken die anders door wantrouwen niet tot stand hadden kunnen komen en om dat vak goed uit te oefenen hebben banken informatie nodig die ze zichzelf moeten kunnen verschaffen en sancties om ons bij de les te houden. Zo zit dat. Een bank is een soort staat eigenlijk – daar zal dan ook het woord ‘systeembank’ wel vandaan komen. Dat wisten we nog niet – we waren gewend aan banken die financiële transacties op poten zetten en daarbij een aantal monetaire spelregels, door de staat opgestelde spelregels, moesten hanteren, op straffe van het sluiten van de winkel. De banken controleerden hun eigen transacties, de staat controleerde de banken. Zo niet, dan dreigt crisis, meestal omdat de staat het mechanisme misbruikte (Zimbabwe als recent voorbeeld) of omdat de banken de staat een rad voor ogen draaiden (de huidige crisis). De staat kan even onbetrouwbaar zijn als de burgers in wier naam de zaak onklaar wordt gemaakt en de banken zijn per definitie even onbetrouwbaar als hun klanten. Hoe meer banktransacties hoe meer toezicht op banken nodig is. Daar heeft het (globalisering, deregulering, in Europees verband vrijgemaakte kapitaalmarkten en hun bancaire gevolgen) behoorlijk aan ontbroken. De financiële crisis is een staatscrisis. De banken hebben hun klanten belazerd (waaronder veel andere banken, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen). Laten we zeggen: ze zijn zozeer opgegaan in het morele kansspel dat ze zelf de draad ook kwijt zijn geraakt. Vervolgens hebben ze de transacties die ze wat onhandig hadden toegelaten, waarbij ze dus als de eerste de beste sul hun selecties niet goed op orde hebben weten te houden, bij de staat geparkeerd. Ze hebben dus ook de staat belazerd, en de staat heeft dat goedmoedig geaccepteerd want je hebt systeembanken of je hebt ze niet. Wij hebben ze. Systeembanken zijn banken die het monetaire beleid van de staat onklaar kunnen maken. En dat ook doen. Het risico van de adverse selection is bij de staat afgegeven, het risico van de moral hazard ook maar het voorrecht om dergelijke risico’s aan te mogen gaan: dat hebben de banken tot dusver uiterst succesvol verdedigd.

 

De banken hebben de staat bij de ballen en dus is het monetaire beleid ondergeschikt aan de financiële wereld. Een heus probleem en het heeft net zoveel met bonussen te maken als spieken met tentamen afleggen. Die bonussen, dr. Pangloss zou het een vondst vinden. Hij zou gelijk gehad hebben. Het is een vondst. Het bespaart op de institutionele discussie, op de verhouding van staat en bank, en brengt alles terug tot het wantrouwen van mensen ten opzichte van elkaar, het wantrouwen wat leidt tot de moraal van het verhaal, tot de deugd van de matigheid, tot het berouw dat op de zonde volgt, tot de pijn die we moeten accepteren, niet omdat ze komt maar omdat de wal het schip moet keren. Per slot, het monetaire beleid is extreem horig aan de bancaire sector geworden de laatste tijd, en of het werkt is volmaakt onduidelijk. Dat er betaald moet worden, dat is wel weer duidelijk en ook dat je dan de velen moet hebben – ach, niks nieuws. We hebben het liever over intergenerationele solidariteit dan over een effectieve globale monetaire autoriteit.

 

Wat hierboven staat is parafrase en tegelijk kritiek op een boek. In het deze week verschenen boek De grote recessie; het Centraal Planbureau over de kredietcrisis (Casper van Ewijk en Coen Teulings, red.) heerst Pangloss. De banken monitoren ons omdat we het zelf niet kunnen, de staat monitort de banken maar kan ook niet alles in de gaten houden. Deed dat ook niet en dus kregen we schaduwbanken van banken en organisaties die geen banken waren maar wel bancaire functies uitoefenden. Het lijkt een informatieprobleem waarbij de banken de informatie hebben en de staat maar moet raden. Private clubs als Standard & Poor en Moody’s weten meer dan de monetaire autoriteiten. Die clubs hebben gefaald. Is dat een probleem? Ik ben het niet tegengekomen. Nou ja, ze moeten wat minder het lied van de banken zingen maar dat is het dan ook wel. Maar in de kern is het zoals het is. Mensen zijn onbetrouwbaar en wat je er ook op verzint, het blijft aanmodderen. Dat geldt ook voor de staat. Een economische theorie van de staat (en van het recht) wordt niet gepresenteerd in het boek. Die theorie is er wel impliciet – dus is verstatelijking geen oplossing. Je moet het kind niet met het badwater weggooien. Je moet de kat niet op het spek binden – zie Zimbabwe. Dat in dat land het onderscheid tussen staat en monetaire autoriteit is afgeschaft te gunste van de staat en op kosten van de monetaire discipline, het mag geen naam hebben en heeft ook geen naam. Dat bij ons de monetaire autoriteit het onderscheid met de staat (en in het geval van de ECB nog sterker dan bij de centrale banken van de afzonderlijke lidstaten) wel maar dat met de financiële wereld niet in stand heeft kunnen houden, ten gunste van de financiële wereld, het mag evenmin een naam hebben. Ja, als het allemaal mis is gegaan (maar pas dan en niet eerder) mogen we banken nationaliseren maar zodra het weer goed gaat moet de markt het gewoon weer overnemen.

 

Twee hoofdstukken ( 7 en 9) over banken in het boek zijn informatief en meer dan de moeite waard. De beginhoofdstukken (1 en 2) zijn om te huilen. Wat daar wordt gedebiteerd (het juiste woord in deze context) doet inderdaad vermoeden dat er geen functioneel onderscheid bestaat tussen een bank en een staat. Als dat er niet is doet weinig er nog toe. Dat merken we dan ook. Na lezing weten we noch wat een bank is, noch wat een staat is. Dus weten we niet dat er helemaal geen financiële crisis is maar wel een economische en in het bijzonder een crisis van de staat. Wie niet kan onderscheiden moet geen verhalen vertellen. Het CPB doet dat wel. Dat is jammer. De vele aardige hoofdstukken in het boek (ik had trouwens in het arbeidsmarkthoofdstuk niet alleen willen lezen dat Amerikanen en Denen sneller met hun arbeidsmarkten zijn dan wij maar ook en met name of ze dat ook minder discriminerend doen dan wij – maar daarover worden geen mededelingen nodig geacht) worden ontsierd door de beginhoofdstukken en door een tweetal wel bijzonder zoetsappige slothoofdstukken. Zo wordt het nooit wat.

 

Willem Buiter meld (op de achterflap): ‘De Grote Recessie moet gelezen worden door iedere Nederlander, als een vorm van burgerplicht.’ Plichtsgetrouw als ik ben heb ik het boek gelezen. Nu weet ik ook niet meer wat burgerplicht is. Toonaangevende economen, het zou niet moeten mogen.

 

5 september