James Surowiecki

 

Compositie

 

Tijdens onze korte vakantie in de Morvan, de afgelopen dagen, las ik James Surowiecki, The Wisdom of Crowds. Of eigenlijk, ik herlas het, na het al wat vluchtig maar wel geboeid in de trein te hebben gelezen, bij stukjes en beetjes, op mijn dagelijkse route van Amsterdam naar Den Haag en weer terug. Geboeid genoeg om te weten dat ik het nog een keer wou zien, om wat aantekeningen te maken en voor mezelf vast te stellen wat ik er allemaal mee zou kunnen doen.

 

De stelling van het boek is verrassend eenvoudig. Twee weten meer dan één en de voordelen daarvan kun je incasseren bij de oplossing van cognitieve problemen, van coördinatieproblemen en van coöperatieproblemen. Onder de juiste voorwaarden dan, en daar wringt de schoen. S. noemt drie voorwaarden: diversiteit, onafhankelijkheid en decentralisatie. Twee weten meer dan één indien nummer twee wat anders weet dan nummer één, als twee tot z’n eigen oordeel in staat is en als twee tot dat eigen oordeel ook in staat wordt gesteld, zich niet laat of hoeft te laten beïnvloeden door één. En omgekeerd natuurlijk.

 

Het zijn lastige voorwaarden. De eerste, diversiteit, is nog wel te componeren, bijvoorbeeld door een redelijke steekproef uit een menigte mensen te trekken, of die menigte zelf om een oordeel te vragen als dat een beetje doenlijk is (ik had wel iets preciezer willen weten wanneer een menigte meer is dan zomaar een toevallige verzameling mensen maar daar heeft S. weinig woorden voor over). Dan krijg je als het meezit inderdaad tal van perspectieven op en tal van informatieve inzichten over een op te lossen probleem en daar heb je wat aan, zeker als je ervoor zorgt dat de mensen niet gezamenlijk tot een oordeel hoeven te komen maar dat afzonderlijk doen, ieder voor zich, zoals bij een stemming, een bod, een ideeënbus. Dan blijkt dat het gemiddelde oordeel van de mensen heel goed is, beter dan het oordeel van de slimsten onder hen en zelfs beter dan het gemiddelde van de slimsten. Diversiteit loont en reverentie voor expertise is overbodig. Experts zijn handig, als we hen niet alleen laten of aan hen het probleem en z’n oplossing uitbesteden. Nee dus, zorg dat er altijd leken bij zijn en bij voorkeur veel verschillende leken. En zorg voor het ‘decentrale’: leg de mensen niet de verplichting op met één oordeel van hen allen te komen (een ‘vergadering’, een ‘commissie’) maar aggregeer hun afzonderlijke oordelen. Soms best te doen, en de voorbeelden die S. geeft (de Iowa electronische stemmenmarkt, en nog uitgesprokener de beleidsanalyse markt) zijn bijzonder interessant. Maar er blijven twee problemen over. In de eerste plaats, de onafhankelijkheid. Hoe komen mensen aan een ‘eigen’ oordeel? Ze bezoeken dezelfde scholen, en, erger nog, lezen dezelfde kranten, kijken en luisteren naar dezelfde zenders en worden dus gebombardeerd (meer en meer en meer, sneller en sneller en sneller) met vergelijkbare weetjes, meningen en niet gecontroleerde (niet ‘gedestilleerde’, zou Nassim Taleb zeggen) informatie waarin meer ruis dan nieuws zit. Dat is een regelrechte bedreiging van de ‘onafhankelijkheid’ en alles wat S. erover te zeggen heeft is dat onafhankelijkheid is ‘hard to come by’. Dat is niet veel. Wat betekent, bijvoorbeeld, onafhankelijkheid in het geval van onderwijshervormingen die misschien het onderwijs niet verbeteren maar wel afdoen aan de diversiteit van de opvoedingen door de ouders? Ik zou het graag weten, ook als ik de vraag minder suggestief zou opschrijven.

 

Het tweede probleem is dat het eigenlijk alleen over cognitieve problemen gaat. De hoofdstukken over coördinatie (hoe lopen we elkaar zo min mogelijk voor de voeten?) en coöperatie (hoe help ik mezelf door ook jou te helpen, hoe help ik jou door ook mezelf te helpen) zijn niet alleen zwak, met rare conceptualiseringen, ze laten ook zien dat de winst van de menigte er ook hier alleen in zit dat twee meer weten dan één. Cognitieve diversiteit dus, opnieuw, en geen zelfstandige invloed van coördinatie en coöperatie los van cognitie. Tel daarbij dat de mediale maatschappij die de onze is diversiteit wel als folklore accepteert maar niet als ander weten, wel (en ook dat steeds afwijzender) ‘culturele’ diversiteit maar liefst geen cognitieve, en de kans dat we de wijsheid van de menigten negeren is groot en groeiend. We krijgen steeds meer gelijksoortig gecomponeerde bevolking. Inburgering, heet het niet zo?

 

Desondanks, in organisaties zou veel meer met de ideeën van S. gedaan kunnen worden en dat is aardig. De maatschappij is geen organisatie en daar, voor de maatschappij, is de waarde van de ideeën van S. beperkt. Dat is jammer, net zoals het jammer is dat S. de maatschappij voorstelt als een samenwerkingsprobleem en niet als een coördinatieprobleem. Dat legt de accenten helemaal verkeerd. Het zal ons huidige kabinet bevallen, die maatschappijopvatting (samen werken, samen leven), maar het is de hond in de pot van de diversiteit. Het is een organisatorische, een statelijke, maatschappijopvatting. Dank je, maar nee dank je. De maatschappij is divers – of ze is er niet meer. We zijn op weg, maar waarom zouden we niet alsnog afslaan, een ander pad inslaan? S. geeft te denken; we moeten nog even verder denken.

 

11 mei