DANDY DOBB
Lang geleden – voor jongeren héél lang geleden, voor de ouderen onder ons nog niet eens zo ver terug – werd door Wim Bossema een concert in het Bimhuis besproken. Daar speelden twee groepen nogal uiteenlopende muzieksoorten. De ene groep bracht een ode aan Albert Aylor, geheel in diens eigen heksentoerende stijl waarvan de luisteraar na afloop minstens zo vermoeid is als de muzikanten. De andere band bracht een soort jazzcabaret - drie mensen, onder wie Beresford, die zich licht verwarrend The Melody Four noemden. “Fall in love to the sound of the Melody Four. Thank you. Oh thank you!” De muziekjournalist schreef dat 'de melige grapjes aanstekelijk werkten, maar het was allemaal erg los uit de pols'. Verder was er, behalve 'een fraaie ballad door Coe, muzikaal niets te beleven' – nog steeds volgens dezelfde Bossema.
Ik maakte dat concert zelf mee en moest me inhouden van het lachen, terwijl ik tegelijk genoot van de muziek. Dit moet ik, weliswaar geen expert (sorry Bossema), simpelweg bekennen. Een groot deel van de grapjes die Bossema melig vond, ervoer ik als brits ‘understatement’ bij uitstek, iets waar ze buiten dat malle eiland nooit echt toe in staat lijken te zijn, al doen sommigen onder ons een lichte poging. Zij die het toch proberen ontbreekt het meestal, net als deze journalist, aan voldoende scholing in de wendingen van de Engelse taal. Understatement in het Hollands vraagt om een krachttoer…
Steve Beresford zat achter de piano. Leo Cuypers – toch een favoriet van me, van wie niet alleen zijn taal, maar ook de muziek een hoog gehalte aan understatement heeft – zit achter de piano als een typisch Hollandse versie van wat een Engelse clown had kunnen zijn. Beresford hoeft alleen maar achter de piano te gaan zítten om op je lachspieren te werken. Cuypers deed steeds leuk, Beresford wás het gewoon.
Hoe komt dit? Ik denk vanwege het simpele feit, dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen het per se niet geaffecteerde van Jazz en de onmiskenbare affectatie van wat we 'Brits' noemen. Dandyisme en Jazz slaan op elkaar als een tang op een varken - met dit verschil, dat bij Beresford ook nog eens fantastisch mooie muziek opklonk. Het is juist het contrast tussen zijn muziek en zijn understatement dat de affectatie van Beresfords Dandyisme extremiseert. Zijn muziek is immers compromisloos - hij mag immers de draak steken met de smartlap, maar de muziek die hij met Coe en Coxhill speelde was Jazz pur sang. Dat je tegelijk móet lachen, is waarschijnlijk wat zo'n concert voor de Bossema's muzikaal niet acceptabel maakte - bij voorbaat al niet, denk ik. Voor de deskundoloog is ‘echte jazz’ inmiddels klassiek geworden, de vroegere link met de gein en de gekte is voor hem taboe.
Wat je verder ook over Britten mag zeggen - hun puritanisme, hun Jack the Ripper drang, hun racisme - you name it: geen andere cultuur is erin geslaagd om die typische vorm van Engelse bescheiden excentriciteit te ontwikkelen. (Ik zie hierbij even af van die paar miljoen stuks Brits tuig, die dankzij veel te dure ponden zoveel jaren hun grote bek, gevuld met pullen, naast mijn lievelingscafé dachten te kunnen opzetten…) Wat zich daar, in die chiquere, Britse terughoudendheid en in die eigen bijzonderheid toont - op de scheidslijn tussen exuberant privaat en terughoudend publiek - wordt in bij voorbeeld Nederland al snel tot kapsones of platte clownerie. ‘Brideshead revisited’ versus willekeurig welke Hollandse TV-serie.
Voor mij had het concert een neveneffect. Terwijl ik Beresford, met de benen over elkaar, zijn nonsensicale causerie ten beste hoorde geven, zag ik opeens voor me Maurice Dobb. Die betrad destijds het podium om een lezing te houden tijdens het Tilburgse congres over “Capitalism in the 70's”. De zaal was gevuld met lieden van het meest uiteenlopende linkse pluimage. Afgezien van een paar uitzonderingen, domineerden trui, lederen jack en de spijkerbroek aller uiterlijk. In die inmiddels zo verre dagen was men een intellectueel arbeider onder andere arbeiders. 'Wetenschappelijk arbeider' weliswaar, maar in uiterlijk toch het liefst goed gelijkend op de Helden van de te verwachten Revolutie.
Dobb was in het begin van de jaren ’70 nog steeds Fellow of Trinity College in Cambridge. Hij had een reeks andere illustere universitaire functies op zijn naam. Ook was hij lid van de Britse Communistische Partij, wat voor een universitair Mitglied een curiosium was. Het publiek in de zaal – voor zover het de spreker nog niet eerder had gezien - bereidde zich voor op een geleerd verhaal. Vermoedelijk zou dit college voor de inmiddels uit het grote Rotterdam gearriveerde vertegenwoordigers van de daar uitgebroken havenstaking niet goed te volgen zijn. Maar je ging er toch vanuit dat, gezien de gelegenheid, Dobb in kledij en taal enige aansluiting bij de massa zou zoeken.
Toen betrad, vanuit de coulissen, een smetteloze Britse gentleman het podium, gekleed in een perfect zittend grijs driedelig pak. Hij liep eerst, met de rug naar het al klappende volk, tot achter op het plankier, pakte één van de daar weggezette leuningloze stoelen en ging - in tegenstelling tot de voorgaande sprekers, die achter een spreekgestoelte hadden gestaan - behoedzaam zitten. De plooien in het pak werden eerst geheel recht gestreken, toen vouwde hij zijn benen over elkander - de tekst, die hij zou voorlezen, gracieus opgeheven in een mysterieus zwevende linkerhand.
De Dandy van Baudelaire, de Romantische held uit de 19e eeuw, live anno 1970! Een man met het uiterlijk van de Engelse adel uit het begin van de 19e eeuw, iemand die in het meest geacheveerde King’s English dat ik ooit hoorde, de wellicht revolutionaire ‘arbeidswaardeleer’ analyseerde, geschreven door een auteur uit het midden van diezelfde 19e eeuw - dit voor een publiek uit de tijd van de net exploderende elektronische cybernetica.
Natuurlijk had ik moeten beseffen dat we toen al in het tijdperk van het spektakel leefden, in de nieuwe eeuw van het ‘simulacrum’ - die alomtegenwoordige schijngestalten, die het ons onmogelijk maken om nog onderscheid te maken tussen echt en onecht. Maar ik was te jong of te dom - of beide. Plat ging ik voor deze Dandy Dobb, voor zijn ongehoord fraaie Engels en voor de boodschap die er op neer kwam dat het allemaal nog goed zou aflopen met de Revolutie. Zo heeft elk een heel leven nodig om zich te bevrijden van de eigen illusies. Ben je eenmaal oud genoeg wordt, dan kun je ook nog eens met intens genoegen terugdenken aan het moment waarop je voor het lapje werd gehouden.
Bij Beresford genoot ik dubbel: van hem en zijn muziek, én van dit visioen waarin ik Maurice Dobb weer voor me zag – een Heer van Stand, die de zaal toesprak alsof het welslagen van de Revolutie afhing van de toon waarop ze werd verkondigd, en natuurlijk van de onnavolgbare houding die hij aannam bij de verkondiging.
Sierksma
Augustus 1993/Januari 2009