De afhaalman

 

Tegenover mij  woont de afhaalman.  Een man van begin zestig. Of misschien wel eind vijftig. Ik heb het hem nog nooit gevraagd. Drie keer per dag verlaat hij zijn huis. Altijd gekleed in een lichtblauw overhemd en spijkerbroek. Soms – zeker nu het wat kouder wordt - zoekt hij meer bescherming en draagt hij over zijn standaard outfit een donkerblauw windjackje.  Hij loopt een tikkeltje gebogen, maar met ferme pas de straat uit. Om iedere keer, drie keer per dag, na ongeveer een half uur terug te keren met een klein, wit plastic tasje in zijn hand. Een afhaal-plastic-tasje.

Ondanks dat de afhaalman iets mysterieus heeft, lijkt hij mij bewust deelgenoot te maken van zijn leven. Misschien komt dit door zijn dagelijkse routine en het eeuwige lichtblauwe overhemd dat hij draagt. Dat heeft iets geruststellends terwijl het tegelijkertijd alarmerend is. Zou hij nooit wassen en altijd hetzelfde overhemd dragen? Of zou zijn hele kast volhangen met deze lichtblauwe hemden? Ik ga van het positieve scenario uit en denk dat hij ooit, misschien wel twintig jaar geleden, op het lekkerst zittende overhemd stuitte dat hij ooit had gedragen. Hij wilde nooit meer anders en kocht daarop twintig identieke overhemden. Logisch, dat heb ik met sokken. Maar daarover een andere keer meer. Terug naar de afhaalman.

Want hoeveel ik ook denk te weten over zijn overhemden, wat er in zijn afhaaltasje zit, weet ik niet. Ik krijg het verhaal niet sluitend. Het nadeel van die standaard witte tasjes is dat vormen moeilijk zijn te herkennen. En vanachter het raam kan ik ook niet ruiken wat erin zit. Wat hij haalt zal vast afhankelijk zijn van het tijdstip. Of zou de afhaalman ‘ochtends, ’s middags en ’s avonds hetzelfde eten. Patat met een kroket misschien, of een Surinaams broodje? Misschien moet ik het hem toch gewoon eens vragen.