De beproeving

Het was er rustgevend, harmonieus. Je voelde je relaxed en energiek. Zo was het goed. Toch speelde er een lichte paniek door je hoofd. Je had al zeker vijf keer op je horloge gekeken. Je had geen idee meer wat de klok te melden had, maar wist precies hoe laat het was. Tijd om de grote stap te wagen. De stap die om niet veel meer vroeg dan de ideale situatie. Je wist natuurlijk best dat die situatie nooit zou aanbreken. Als je het niet zelf creëerde zou het je ook niet komen aanwaaien. En ergens was dat wel zo veilig.

Dat het leven doorspekt was van ironie was geen nieuws meer. Toch reageerde je maar wat verrast toen je niks vermoedend de deur opende en naar buiten stapte. Opvallend gul lachte het geluk je toe, alle kansberekeningen tartend.
Daar lag ze, jouw muze. Vredig lezend, badend in tijd en ruimte. Geen van de overige twintig was in velden of wegen te bekennen. Dit was jouw kans. 

Je had alsnog een excuus willen verzinnen om niet op haar af te stappen, dat voelde immers lekker vertrouwd. Opmerkelijk genoeg was er geen enkele smoes in je opgekomen, waarop je maag in een knoop leek te veranderen. Je lichaam verzette zich tegen deze prachtige kans, en je was er bijna ingetrapt. Je had terug willen krabbelen, geef maar toe. Even had je al dit moois willen laten schieten. Misschien was het toch een beter idee om hier te blijven staan, moet je gedacht hebben. Om rustig af te wachten hoe dit moment zou vervliegen.

Bij wijze van antwoord schoof een sfeervol wolkendek voor de zon langs. De zon die het grote terras spookachtig verlichtte, en met haar de vallei waarop het pittoreske kasteeltje rustte. Het enige waarneembare geluid was het voorzichtig getjilp van een vogel, ergens in de verte. Eindelijk drong het tot je door: het universum zou rustig afwachten totdat je je missie had voltooid. Benauwd en opgelucht tegelijk liep je haar kant op, de beproeving tegemoet. 

Je was die bewuste ochtend, weken eerder, niet badend in het zweet wakker geworden. Toch was het daar een prima droom voor geweest. In plaats daarvan had je intens geconcentreerd naar het plafond gestaard. De nachtmerrie zelf was indien mogelijk nog intenser geweest. De overgang tussen slaap en werkelijkheid had totaal irrelevant geleken, veruit ondergeschikt aan de boodschap die je net had meegekregen. Je had je als door de bliksem getroffen gevoeld. Je had al eerder beseft dat je haar lief had, maar bij lange na niet hoe gelukkig ze je maakte. En wat als je nooit meer de kans zou krijgen haar dat te vertellen? 

Het ene moment was je gezellig met vrienden op vacantie geweest, het volgende had een snelle dood onvermijdelijk geleken. Voor het sterven was je niet bang geweest, je had berust in wat komen zou. Je had alleen de angst gevoeld dat zij nooit zou weten hoe belangrijk ze voor je was geweest. En die angst zat diep. Zo diep dat je haar in die laatste paar minuten moest zien te vinden, koste wat het kost. Met onwaarschijnlijke snelheid was je alle etages afgerend, totdat je haar uiteindelijk had gevonden. 

En nu zocht je vooral naar een houding, nu je naast haar stond en je hart in je keel kon voelen kloppen. Je staarde wat naar het wolkendek, draaide ongemakkelijk in het rond en hoorde wat koetjes en kalfjes uit je mond ontsnappen. Niet helemaal volgens plan, maar je was in elk geval bezig je angst te overwinnen. Je stond slechts tientallen meters verwijderd van de plek waarnaar je haar in die andere wereld zo ongeveer ontvoerd had. Het moment was veel te belangrijk geweest om je gebruikelijke relaxte houding aan te nemen. Het was nu of nooit geweest, die laatste seconden samen. 

Maar nu het nu een stuk dichterbij was zat er veel minder dwang achter. Zonder zwaarbewapend guerilla-team in de buurt bleken de woorden stug in je keel te blijven hangen. Ze kende je goed genoeg om te weten dat je iets op je lever had. Ze zag je strijden met die paar zinnen die nou eenmaal uitgesproken dienden te worden. Je wist dondersgoed wat je tegenhield. Dit was geen spelletje, niet zomaar een openingszin. Dit was het blootleggen van je ziel.

"Ik ga even iets te drinken halen, wil jij ook wat?", vroeg ze opgewekt. Onmiddelijk voelde je dat het de verkeerde kant op ging. Ze mocht niet opstaan, deze idyllische omgeving niet verlaten. Dit keer moest en zou ze naar je luisteren. Je zou haar aandacht afdwingen en vasthouden totdat ze aan je lippen hing. Net zoals je haar in je droom tot stilte had gemaand. Voordat je haar zacht vaarwel had gekust had je haar hand vastgepakt. In een paar zinnen had je je hart uitgestort. Alles had daarvan afgehangen, een hoger doel dan dat had je niet gekend. Van opstaan was dus geen sprake. 

"Welnee joh, wat wil je drinken?", antwoordde je vlug. In gedachten was je al drie stappen verder. Je ving nog net een paar zinnen op in de trant van: "Oh, ga jij halen? Oké, doe mij dan maar...". Je deed je best om zo relaxed mogelijk richting de keuken te wandelen, terwijl je je maag nog voelde protesteren. Tevergeefs had je getracht je lichaam te kalmeren, maar de adrenaline had zich niet laten beteugelen. Je doel was zo dichtbij geweest, en tegelijkertijd zo ver weg. Je had in elk geval een tweede ronde afgedwongen, een nieuwe laatste kans. 

Je haalde even diep adem, terwijl je twee glazen vol schonk. Je bereidde je mentaal voor op wat komen zou, komen moest. Was het eigenlijk niet merkwaardig dat velen het als tragisch zagen om op het perfecte moment te wachten, simpelweg omdat dat onmogelijk leek? Jij wist inmiddels beter. Veel tragischer was het om er niet tot in de puntjes op voorbereid te zijn wanneer het je, tegen alle waarschijnlijkheid in, alsnog in de schoot werd geworpen. Voortaan zou je overal op berekend zijn. En voor nu zou je redden wat er te redden viel. 

Gewapend met frisdrank begon je aan de terugreis. Je haalde twee keer diep adem, en staarde naar het terras dat verleidelijk lonkte, met de belofte van gevaar in haar ogen. Daar ging je weer, vol frisse moed. Op weg naar de onvermijdelijke beproeving.