De Dichter

Tussen onder- en bovenkast wankelend

weifelt de bard.

Als was ’t een loden last,

wikt hij zijn letteren en woorden.

Eén kapitaal te veel,

een kapitale blunder.

Eén lettergreep tekort,

een zelfmoord op de taal.

Dichten is dit verhinderen.

De dichter is een doorgeefluik,

de zetter van zijn kinderen.

 

Sierksma, nov. ‘08