De Kuiten van de Koningin

 

 

De dag der dagen: Koninginnendag dreigde dit jaar in het water te vallen. Niet omdat de zee

onze stad verzwolg, en zo haar rechtmatige eigendom na eeuwen weer terug wist te veroveren

op het kunstmatige land waarop onze stad gebouwd is, maar gewoon omdat er een paar buitjes zouden vallen.

 

  Het was ook al een bijzonder frisse koninginnennacht geweest. Een factor waar we, na de nodige blikken en plastic glazen bier ( en mijn heupflesje wodka) al snel geen last meer van hadden. Bij een gammele karaokeset, op een winderige straathoek in de buurt van de Dam, zongen we ons moedig warm. Niet bepaald Paradise by the dashboardlight, maar we moesten het er dit jaar maar mee doen.

 

  Bij het katerig ontwaken vroeg in de middag bood mijn raam niets meer dan donkere en grijze wolken, echte Hollandse lucht, dus eigenlijk zouden we blij moeten zijn met deze vertrouwde aanblik, maar wij wilden een stralende blauwe hemel, en neem ons dat eens kwalijk. Maar het moet gezegd, onder zo’n grijs wolkendek is het moeilijk opstaan. Uiteindelijk toch maar met de moed der wanhoop opgestaan en na een lange douche en een

schadebeperkend vet ontbijt, toch maar de straat opgegaan. Zwaar bewapend met een oranje hawaikrans, ( de vorige avond overenthousiast aangeschaft van een schimmige zwerver, die zowaar een feestelijke indruk maakte, zoals hij bijna geheel verscholen ging onder een dikke

bos oranje plastic) en een tas met blikken bier en een extra trui, trok ik de chaos in, er het ergste van vrezend. En zie: de hemel brak open en God schonk de hunkerende, verongelijkt langs de kramen sjokkende stad zijn zonnestralen. Halleluja!

 

  Het is toch ongelofelijk hoe tientallen duizenden mensen in een West-Europese stad, deze in no time de aanblik kunnen geven van een oorlogsgebied, en dan is het nog feest ook! Overal lag vuilnis en troep: etensresten, een zee aan lege platgedrukte bierblikjes, gesneuvelde oranjedecoratie en lukraak neergesmeten kleding en andere huisraadachtige rommel, waar een bijzonder positieve geest met enige fantasie de zo bewierookte tweedehands kraampjes nog net in kon herkennen. Door de goten stroomde pis, de trams reden niet of nauwelijks, en slechts af en toe wist zich een auto door de gedwee voortsjokkende menigte op straat heen te persen. En dit was dan vaak nog een ambulance die met gillende sirenes een geschokte diep religieuze toeriste uit Utah afvoerde, die van haar stokje was gegaan omdat ze voor het eerst in Amsterdam was en dacht dat ze echt in het Soddom en Gomora belandt was.

 

  Zo sloeg met het weer ook de stemming om naar en welliswaar aarzelend begonnen, maar uiteindelijk toch doorgezette euforie. Maar wij waren als een van de weinigen voorbereid op een klimatologische verstoring van onze feestdag, en niet in de vorm van oranje poncho’s of ludiek betekste paraplu’s. Uit voorzorg hadden we een feestthema verzonnen om als het weer tegenzat, zoals dat er in het begin van de middag nog dreigend naar uitzag, toch reden te hebben uit ons dak te gaan. Voor dit dankbare doel, leenden mijns inziens de Kuiten van de Koningin zich het beste. Ik heb de Kuiten van Beatrix altijd een baken van degelijkheid en vastberadenheid gevonden. Ze zijn eigenlijk altijd jammerlijk in de schaduw gebleven van dat andere baken der Nederlandse monarchie: haar onverwoeste kapsel. Immer voortstappend dragen haar Kuiten onze vorstin dapper voort over de globe en daarbij zijn ze bovendien zo gewoon gebleven in hun dure vleeskleurige panty’s. Waren de versleten knieschijven van de vorstin aan vernieuwing toe? Haar Kuiten hebben nooit een krimp gegeven! En hebt u wel eens, ook maar een spataders gezien? Ik niet.

 

  De Kuiten van de Koningin dus. Ondertussen waren we aangekomen op een met planken bezaaid modderig en goor stuk Weteringschans, waar vanaf een podiumpje ( Die podiums waren dus echt wel groter vorig jaar!!) een enorme bak ritmische en verassend pakkende herrie over ons werd uitgestort. Het was meer een monotoon soort piepen en bonken, maar ik leerde al snel dat dit geluid ‘minimal’ heette; het was hoe dan ook bijzonder hypnotiserend.

Dit mocht de pret echter niet drukken en ook de vermoeidheid van de vorige nacht drukten

wij opzij. Het was vandaag feest! Ons feest. We hadden hier recht op als Nederlanders.

Onder het aanhoudend luid brullen van: ‘Leve de Kuiten van de Koningin! Driewerf Hoezee! Hoezee! Hoezee! Hoezee!’ Werden er enthousiast blikken bier uit plasticzakken van dubieuze supermarktketens getrokken en dronken van geluk en vaderlandsliefde bedronken wij ons, terwijl wij onze Vorstin en haar glorieuze Kuiten bleven eren. Wat kon ons gebeuren als zelfs de weergoden op onze hand waren? Wij Nederlanders, dronken bij elkaar gepakt in een met afval en pokkeherrie volgestort plantsoen, waren eventjes onaantastbaar.

 

 

Michiel van Rooij 1 mei 2008