De ochtenden waren anders toen.
Niet met dat felle morgenlicht.
Er leek zoveel meer te doen en
jij had nog niet zo een koud gezicht.
Als je keek naar mij of naar de tuin,
waar de bloemen bloeiden door jouw hand.
Of stierven in alweer een herfstbruin,
toen woede er in je ogen nog een felle brand.
Maar nu met dat kale koude licht,
waarin jij al lang verdwenen bent.
Hou ik een foto van jou bij mijn gezicht,
terwijl ik luister hoe je koffie zet.
|