De staatsloterij

Ik speel al jaren mee in de staatsloterij en ik win nooit iets,  maar toch koop ik elke maand loten. De enige keer dat ik iets gewonnen heb was toen ik samen speelde met wat vrienden. Elke maand hadden we het er over wat gingen doen als we de klapper in de loterij zouden hebben. Maar elke maand was het niets bijzonders. Als we onze eigen geld hadden dan dronken we er een biertje op om het te vieren. En vaak wel meer dan één,  maar dat was dan weer uit verdriet om dat die wereldreis of dat stoppen met werken nog even moest wachten. Toen we eindelijk na jaren mee spelen dan eens een prijs wonnen van toen  1500 gulden,  dus laten we zeggen dat,  dat nu 750 euro was, toen waren we dan  ook de hemel  te rijk.  Dat we dat me z’n vieren moesten delen en dat we daar ook niet van op wereldreis konden dat mocht de pret niet drukken. Je kon iets  winnen dat was eindelijk bewezen. Hele flauwekul gesprekken voerden we over het uit te geven geld. Alsof die 750 euro 7,5 ton was.

Maar natuurlijk waren de gesprekken meer om het lachen en de gein en niet om het geld, waar bovendien na aftrek van tien nieuwe loten sowieso weinig van over zou blijven.

De loten werden altijd gehaald door de meest betrouwbare persoon uit de groep.  Dit was om de verleiding te voorkomen dat iemand met de toevallig gewonnen hoofdprijs zou vergeten dat we met z’n vieren waren en dan snel een wereldreis zou boeken naar een ver en onbekend land. Een land waar wij hem niet meer konden vinden. De man die de loten kocht was een verstokte vrijgezel en had geld genoeg om van te leven. Dus toen de prijs bij ons gevallen was maakten wij ons dan ook geen enkele  zorgen of het geld zou keurig gehaald en onder ons vieren verdeeld worden.   

 

Maar het lot heeft vreemde wendingen. Op de avond voor de loten ingeleverd zouden  worden kreeg ik een telefoontje dat de gene die de loten bij zich had die middag aan een hartaanval was overleden. Ik dacht eerst nog aan een van onze vele flauwe grappen, maar dat was het helaas niet. De schok was verschrikkelijk groot niet om de loten maar meer omdat onze vriend dood was, waar we allemaal veel om gaven.

Wij gingen s’avonds met ons overgebleven vrienden naar het huis van zijn moeder, waar hij,  toen hij nog leefde erg vaak kwam. Het arme oude mens was in tranen en ziek van verdriet. Natuurlijk durfde niemand van ons te beginnen over de staatsloten die hij nog ergens in zijn binnenzak moest hebben. Toen we later na het bezoek verdrietig in het café nog een biertje dronken konden we het toch niet laten om in lachen uit te barsten. Hadden we eindelijk een prijs  en was de meest betrouwbare persoon van de groep er toch nog met de centen tussen uit geknepen.

Met of zonder geld mis ik hem nog steeds.