de Bietebauw

Rene_de_clercq_1911_2

Als kind nam je sprookjes, kinderliedjes en rijmpjes voor lief. Je dacht niet na over de tekst en inhoudelijk ging het min of meer langs je heen. In de loop der jaren realiseer ik me vaak hoe angstaanjagend een kinderliedje kan zijn. Berend botje die uit varen ging en nooit weerom kwam. Het advocaatje op reis, hij stikte in een graatje. Over het meisje dat loos was en een pak ransel krijgt van de kapitein in de kajuit. Op de woelige baren daar waar het schip met man en muis vergaat.
Dan de sprookjes: Roodkapje, zij gaat door het donkere bos naar haar grootmoeder en treft daar de wolf in oma's bed aan. Sneeuwwitje wordt achtervolgd door een boosaardige stiefmoeder. Hans en Grietje die vetgemest worden om daarna als culinair hoogstandje te dienen voor de boze heks. Klein Duimpje die met z'n broertjes in het bos wordt achtergelaten om bij een kannibalistische reus als gigantisch feestmaal te fungeren, maar per abuis eet de reus zijn eigen dochters op. Assepoester, bespot door een paar jaloerse stiefzusters en als sloof gebruikt; haar plaats is de keuken waar ze door haar stiefmoeder in de dweilhouding wordt gezet. 
Moralisme is schering en inslag, chantage aan de orde van de dag. Kinderen de stuipen op het lijf jagen, daar zijn we als ouderen erg bedreven in. Nu weet ik dat de bijtjes en de bloempjes maar deelaspecten zijn van het leven en dat goed niet bestaat zonder kwaad en andersom. Als ik echter m'n kleinzoon uit Grimm zou voorlezen, ligt mijn keuze bij een niet te wreed sprookje en laat hem graag -zo lang het nog kan- in het goede geloven.
Kinderen lijken eng en gevaarlijk aantrekkelijk te vinden, of vult de volwassene dat als zodanig in.

Onderstaand sappige vlaamse liedje uit begin 1900 is mij bijgebleven uit mijn jeugd en werd bij ons thuis vroeger gezongen.
Als je als kind hier geen nachtmerrie van krijgt...


* Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!
 
Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak! hij kruipt een zolder op,
oei, oei, oei, den onzen!
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!
 
Recht naar bedde komt hij, boe.
riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne!
Grijp, grijp, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw!
de bietebauw!
 
Neen, neen, neen! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen!
Moeders kind is braaf geweest;
kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
zwicht u voor den bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoete zijn!

* muziek: Emiel Hullebroeck
    tekst: René De Clercq   es van essen