De butler heeft het gedaan.

 

Een butler heeft een gulzig beroep. Het woord ‘gulzig’ in dit verband ontleen ik aan Lewis Coser, een socioloog die in de jaren zeventig publiceerde over ‘gulzige instituties’. Dat zijn instituties die totaal beslag leggen op hun leden en naar hun exclusieve en ongedeelde loyaliteit streven. Het zijn dus geen totale instituties in de zin van Goffman want daarin wordt niet naar loyaliteit gestreefd en, belangrijker nog, daarin zitten de mensen niet op vrijwillige titel. Een professie is, zoals we weten, ook een institutie en een gulzige professie of een gulzig beroep slokt je daarom op, en zorgt ervoor dat je er nooit vakantie van kunt nemen. En dat alles doe je dan, om mevrouw Pieterse – de moeder van Woutertje – te parafraseren ‘voor je plezier’. Wat zoogdieren, juffrouw Laps, zich niet aandoen.

De vraag is: word je daar dan ook gelukkig van? Dat is wat ik kort wil bespreken. Ik begin met de butler, en ga daarna in op het geluk. Het beroep van butler is veeleisend, dat op de eerste plaats. Een butler is een bedrijfsleider, een human resources manager en een bediende in één persoon. Er zijn opleidingen voor (The International Butler Academy is een voorbeeld) en daarin staat centraal het leren van ‘(personal service expertise  and organizational structure that supports) the management of complex homes and lifestyles’ .

Het vak, echter, kan ook van vader op zoon worden overgedragen en dat was het geval bij de butler die ik hier centraal stel. Het gaat om Stevens, de hoofdpersoon in de roman van Kazuo Ishiguro, The Remains of the Day.

Stevens is sinds kort in dienst bij een nieuwe heer, een Amerikaan die met het Engelse landgoed waar Stevens zo lang al in dienst was Stevens zelf ook maar heeft overgenomen. Omdat zijn nieuwe heer voor enige tijd naar de VS teruggaat stelt hij Stevens voor een uitstapje te maken als hij er toch niet is. Dat is nieuw voor Stevens want wat moet een butler buiten het huis waar hij een onderdeel van is? Voor een butler komt de wereld naar binnen, en niet omgekeerd. Niettemin, hij besluit het toch maar te doen. In de eerste plaats is een idee van je heer nooit zomaar een idee maar ook altijd een beetje een dwingende suggestie. En in de tweede plaats heeft Stevens tekort aan personeel en hij overweegt juffrouw Kenton weer terug te halen naar het landgoed als hoofd van de huishouding. Daaraan, overigens, liggen ook amoureuze overwegingen ten grondslag, hoewel juffrouw Kenton inmiddels is getrouwd en mevrouw Benn heet. Als een butler al een uitstapje maakt moet het wel z’n nut kunnen hebben.

Die amoureuze overwegingen zijn nooit in daden omgezet. Het waarom is helder: een butler heeft geen eigen leven. Althans, een grote butler heeft dat niet: “De grote butlers … dragen hun beroepsmatigheid zoals een beschaafd heer zijn pak draagt … hij zal zich ervan ontdoen als hij dat wil, en alleen als hij dat wil, en dat zal uitsluitend zijn als hij helemaal alleen is”. Waar anderen bij zijn is de butler alleen maar butler. Stevens heeft dan ook geen voornaam. Maar hij weet wel wat een groot butler is en hij weet ook dat grote butlers en Engeland, meer in het bijzonder het Engelse landschap, bij elkaar horen. Over dat laatste merkt hij op “dat juist de afwezigheid van opvallend drama of spektakel de schoonheid van ons land zo uniek maakt”. En dat geldt ook voor de butler: geen drama en geen spektakel maar waardigheid en dus het “vermogen van een butler om niet uit het beroepsmatige wezen waarin hij huist te voorschijn te treden”.

Is Stevens zelf een groot butler? Hij vindt van wel en hangt dat met zoveel woorden op aan één belangrijke gebeurtenis. Het gaat om een bijeenkomst, nog in de jaren twintig, van een aantal mensen die over de internationale politiek delibereren en daar, op z’n zachtst gezegd en with the benefit of hindsight, een politiek niet beste benadering bij gebruiken. De vader van Stevens overlijdt tijdens deze bijeenkomst, in de avond, maar Stevens zelf heeft geen tijd voor zijn vader. Hij is van mening dat het feit dat hij de conferentie voor laat gaan op zijn vader ook strookt met de opvattingen van zijn vader, zelf ook ooit een butler maar inmiddels enigszins gedegradeerd in de hiërarchie en dus de ondergeschikte van zijn zoon in diens straf geleide huishouding. Misschien nog een reden waarom Stevens de zorg voor zijn vader heeft overgelaten aan juffrouw Kenton?

Het overlijden van zijn vader is een dramatisch hoogtepunt in de roman. En de opgave van een groot butler is nu precies dat drama niet te laten doorsijpelen in de uitoefening van zijn taken. Stevens is van mening dat hij daar, en toen, redelijk in is geslaagd. Hij stelt vast “dat ik, alles in aanmerking genomen, in elk geval in bescheiden mate een ‘waardigheid’ ten toon spreidde … Telkens als ik aan die avond terugdenk is het, ondanks alle treurige bijgedachten, met een enorm gevoel van triomf”. Op deze manier is het ook met de liefde nooit iets geworden in die periode. Dat juffrouw Kenton de dienst verliet was, juist omdat ook zij gevoelens voor Stevens bezat, een klassiek geval van vertrek als gevolg van ‘push’ factoren. Niet de buitenwereld trok, maar de zelfgekozen gevangenis die Stevens zijn beroep noemde duwde haar weg.

Het uitstapje van Stevens, gericht op het terugwinnen van juffrouw Kenton/mevrouw Benn, levert niet op wat hij had gehoopt. Mevrouw Benn heeft zich verzoend met haar huidige leven en overweegt geen terugkeer naar Darlington Hall, het landgoed. Voor Stevens blijft niets anders over dan, nadat hij mevrouw Benn op de bus heeft gezet, terug te gaan. Maar dan klinkt vanaf de pier vlakbij de bushalte een luid gejuich. Waarom? Omdat de avond is aangebroken en de mensen vieren de avond, the remains of the day, als het beste moment na een welbestede dag. Wie goed heeft geleefd staat klaar voor een gelukkige oude dag. Stevens beseft dat ook en hij beseft dat het voor hem niet is weggelegd: “Wat heeft het voor zin om de hele tijd maar te piekeren over wat men al of niet had kunnen doen om de eigen levensloop te beïnvloeden?” Waarom heeft het geen zin? “De harde waarheid is natuurlijk dat mensen zoals u en ik uiteindelijk weinig andere keus hebben dan ons lot in handen te leggen van de illustere heren die zich in het middelpunt van de wereldpolitiek bevinden en onze diensten behoeven”. Het leven dat je leidt is geen keus, het is een lot. Het lot van Stevens is, gewend naar zijn toekomst, te leren ‘schertsen’. Dat stelt zijn nieuwe Amerikaanse heer op prijs en Stevens is er, het zal niet verbazen, niet heel goed in. Kan men leren ‘schertsen’?

Tot zover Stevens die er uiteindelijk vrijwillig voor kiest zijn gevangenis niet te verlaten. Maar niet dan nadat hij die keus zelf heeft ontkend. Geen keus, maar lot, dat is zijn finale conclusie. Binnen dat lot kun je je best doen en wie weet word je dan wel een groot butler. Met andere woorden: doe je best, val nooit uit je rol en je wordt een goed professional. Uiteraard, door van de butler over te schakelen naar de professional maken we het terrein een stuk breder. En dat is ook de bedoeling. Wie denkt aan professionals en professies denkt aan mensen die veelal intieme en ‘gevaarlijke’ kennis hebben over hun klanten. Denk aan artsen, advocaten, priesters, accountants, therapeuten, psychiaters enzovoorts. En aan butlers natuurlijk. Denk bovendien aan het exploderende aantal beroepen dat door klantcontacten wordt gedefinieerd en waarbij het zogenaamde ‘in de klant kijken’ het eerste gebod is. En denk er ook aan dat al deze contacten ertoe leiden dat werken zo ongeveer gelijk staat aan netwerken en dat je daar, inderdaad, vooral niet uit je rol moet vallen. En denk er ten slotte aan dat al deze beroepen ernaar streven om zichzelf keurmerken uit te reiken en er dus op gebrand zijn om zelf te beslissen wat een goede beroepsuitoefening is en wat een slechte en aan welke eisen van socialisatie en acculturatie een beroepsbeoefenaar moet voldoen. Professies beoordelen hun professionaliteit zelf. Het resultaat is voor de klant, de professie is voor de professionals. Precies zoals bij Stevens in zijn zoektocht naar de criteria van een ‘groot’ butler (dat men “als men dit beroep al zolang uitoefent als mijn persoon het uitoefent, in staat is om intuïtief het niveau van iemands professionalisme in te schatten zonder die onder druk bewezen gezien te hebben”).

Zo kom ik bij geluk. Waarom, en dit zijn twee vragen, heeft Stevens geen geluk en is hij niet gelukkig? Hij heeft geen geluk door het ‘lot’. Het lot, de kans, het toeval is één aspect van geluk. Laten we dat het Guus Geluk-aspect noemen. En hij is niet gelukkig omdat hij ervoor kiest zich neer te leggen bij zijn lot en daar zelfs nog een kunst van te maken. Laten we dat het Aristoteles-aspect van geluk noemen.

Kortom: tussen lot en keuze, tussen Guus Geluk en Aristoteles, tussen gevaar en beslissing. Die laatste twee woorden voeg ik toe omdat geluk en risico het nodige delen. Net als bij geluk speelt bij risico het lot (onzekerheid en gevaar) een grote rol, én de keuze (beslissingen en vertrouwen). En nu we het toch over organisaties (beslissingen!) hebben: het lukken van dingen en het durven vertrouwen op de goede afloop zijn afhankelijk van het beslissen. Of dat geluk genereert hangt echter ook af van het lot. Alleen een goed huwelijk tussen toeval en vertrouwen kan geluk – de weloverwogen voorkeur voor het bestaan boven het niet-bestaan – genereren (zeer vrij naar ‘leefregel’ 49 van Schopenhauer). Dat is voor onze Stevens niet weggelegd. Hij is door het lot, uiteenlopend van het doorgeven van het beroep van vader op zoon tot en met het lot van ondergeschikte te zijn, bepaald om alleen die beslissingen te nemen die hem stijven in datzelfde lot. De beslissing om ook nog te leren ‘schertsen’ is het product van de eerdere beslissing een ‘groot’ butler te willen zijn. De ene beslissing bouwt voort op de eerdere. Dat maakt van Stevens een organisatie, en geen individu. En dat definieert een gulzig beroep. Stevens is uiteindelijk het product van een Pascal-achtige calculatie: als ik niet meer geloof in mijn butlerschap verlies ik mijn reden van bestaan. Daartegenover is het risico van het butlerschap zelf niet meer dan dat ik af en toe door de knieën ga. In vergelijking: een verwaarloosbaar risico. Knielt en gij zult geloven. Het geluk eist meer. Stevens is geen Sisyphus en daarom: Il ne faut pas imaginer Stevens heureux.

 

L. Coser, Greedy Institutions. Patterns of undivided commitments. New York; The Free Press, 1974

E. Goffman, Asylums; essays on the social situation of mental patients and other inmates. Harmondsworth; Pelican Books, 1968: 15-115

K. Ishiguro, The Remains of the Day. London; Faber and Faber, 1989. De citaten zijn alle afkomstig uit de Nederlandse vertaling, De rest van de dag (Amsterdam; Arbeiderspers, 1989)

Daarin schuilt een deel van de tragiek van onze butler. Hij, en de traditie van de beroepsgroep waar hij voor staat, is niet ‘modern’. Stevens zelf moet daar ook niets van hebben, zoals blijkt uit zijn kritiek op butlers die meer op bekendheid dan op waardigheid uit lijken te zijn. Maar het wordt moeilijker als hem op een gegeven moment door een ‘heer’ wordt voorgehouden dat ‘moderne’ waardigheid niet bestaat in het je schikken (‘slavernij’), maar in het kiezen. En dat inclusief de vermaning dat ‘we’ daar nu juist een oorlog voor hebben uitgevochten. Kortom, in de moderniteit is ook een butler niet meer dan een beroep. Tot een roeping wordt je ‘geroepen’, voor een beroep mag en moet je kiezen.

Zie ook H. Schoeck, Envy; A Theory of Social Behaviour. Indianapolis; Liberty Press, 1987: 285-286

A. Schopenhauer, De kunst om gelukkig te zijn. Nijmegen; SUN, 1999: 100-101

B. Pascal, Gedachten. Utrecht en Antwerpen; Prisma, 1967: 64-78 (‘Over de noodzaak van de weddenschap’)

Ibid: 80-81

Parafrase op A. Camus, Le mythe de Sisyphe. Paris; Gallimard, 1974: 166