De te fabula narratur

 

In de jaren tachtig nam Gerard Durlacher afscheid van de Universiteit van Amsterdam. Hij werd afgekeurd en kon zich vanaf dat moment volledig wijden aan het onderzoek naar z’n kampervaringen, de mensen die het net als hijzelf hadden overleefd, en hun gevoelens van schuld: waarom waren zij blijven leven en de anderen niet?

             

Tijdens een wandelingetje bekende Gerard een keer dat hij z’n werk bij de subfaculteit sociologie in de laatste jaren vóór z’n afscheid steeds minder relevant was gaan vinden. Hij was blij dat het voorbij was en dat hij zich nu bezig hield met dingen die er wel toe deden. Aan dat laatste twijfelde ik niet; het eerste leek me toen een luxe die ik me nog niet durfde permitteren. Hoe vaak komt een Maarten Koning voorbij?

             

In Pascal Mercier’s roman Perlmanns Schweigen houdt hoofdpersoon Philip Perlmann zich ruim 600 pagina’s bezig met dezelfde kwestie. Perlmann is een redelijk succesvol taalwetenschapper die zich, naar aanleiding van een conferentie waartoe hij heeft zich laten verleiden, afvraagt of hij zichzelf geen rad voor ogen heeft gedraaid met z’n wetenschappelijke carrière. Meer en meer komt hij tot de overtuiging dat wat hij steeds heeft weten te ontlopen de ‘Gegenwart’ is, het actuele hier en nu, het milieu waar geleefd wordt. Zijn wetenschap was een bescherming tegen het leven. En omdat het niet meer dan een scherm tussen zichzelf en de wereld was blijkt ook zijn wetenschap zelf een illusie. Bovendien is hij ervan overtuigd dat zijn twijfels niet alleen voor hemzelf zichtbaar zijn maar ook voor de anderen in de conferentie, die overigens enkele weken duurt. Erger nog, die hij – daartoe in staat gesteld door Olivetti – zelf bij elkaar heeft mogen roepen en daar, toen al twijfelend, nog toe over is gegaan ook.

             

Perlmann ziet af, zoveel is zeker. En hij zwijgt. Hij zit zichzelf op een soms onthutsende manier in de weg, produceert als gevolg daarvan meer problemen dan de lezer af en toe voor mogelijk houdt en komt er voor het oog van de wereld uiteindelijk nog redelijk ongeschonden van af. Maar niet voor zichzelf: het eind van het verhaal is dat Perlmann z’n professoraat er aan geeft, een uitnodiging van Stanford naast zich neerlegt en leraar wordt in Managua, Nicaragua. Ik wens ‘m het beste.

             

Het opmerkelijke is niet eens dat Perlmann zwijgt. Hij sluit zich op met zichzelf als gezelschap en houdt de wereld buiten de deur. Hij beleeft z’n situatie in termen van een niet aflatende existentiële twijfel. Zijn voornaamste ervaring is geen ervaringen te hebben. Goed beschouwd twijfelt Perlmann dan ook geen seconde. De roman gaat niet over zwijgen en ook niet over twijfelen. De roman gaat over toegeven, toegeven aan jezelf dat je op een station bent aangekomen dat je noch hebt uitgezocht, noch – en daar gaat het om – hebt vermeden. Je had het kunnen weten, wist het ook maar hebt het nooit willen uitspreken. Dat kost alles bij elkaar veel tijd en moeite. Daar komt Perlmann ook achter: er was nooit twijfel. Hij wist het altijd al, sprak het alleen niet uit, gaf het niet toe, niet aan zichzelf, niet aan anderen. Uiteindelijk geeft hij het wel toe, maar alleen aan zichzelf. Voor de anderen (zijn collega’s, zijn dochter) is er zwijgen. Die mogen blijven raden. Perlmann zal nooit op een ander station aankomen.

             

De te fabula narratur.