De Tuin van Eden
In onze tuin van Eden leefden wij,
onder bomen met rijpe vruchten.
Er was water en dieren van het veld
en vergezichten over het land.

Maar achter de hoge hekken
blaften steeds vaker de valse honden,
met tanden die glinsterden in de zon,
trokken zij aan de kettingen.

Lang konden we ze buiten sluiten
en waren wij veilig achter de poorten.
Maar ook wij verloren van de overmacht
weg moesten wij, weg, voorgoed verloren.

Vaak kijken we vol heimwee naar elkaar
als we ´s avonds zitten met glazen drank,
denkend aan andere tijden en aan
de tuinen waarin wij toen leefden.