De Tuin van Eden |
|
In onze tuin van Eden leefden wij, onder bomen met rijpe vruchten. Er was water en dieren van het veld en vergezichten over het land. Maar achter de hoge hekken blaften steeds vaker de valse honden, met tanden die glinsterden in de zon, trokken zij aan de kettingen. Lang konden we ze buiten sluiten en waren wij veilig achter de poorten. Maar ook wij verloren van de overmacht weg moesten wij, weg, voorgoed verloren. Vaak kijken we vol heimwee naar elkaar als we ´s avonds zitten met glazen drank, denkend aan andere tijden en aan de tuinen waarin wij toen leefden. |
|