De ziekte van Pfeijffer
Verschillende vrienden van mij hebben de ziekte van Pfeijffer gehad. Het is een nare ziekte, die je een half jaar tot wel anderhalf jaar uit de roulatie kan halen. Kenmerken van de ziekte
zijn een enorme verlammende vermoeidheid, vaak voorafgegaan door een zware koortsaanval,
waarin ijlen en verschrikkelijke angstdromen voorkomen.
Deze hamerende vermoeidheid berooft de zieke van elk spoortje energie en noopt hem of haar om het bed te houden. Weken achter elkaar. De patiënt is bij wijze van spreken nog niet in staat om een trap op en af te lopen. Ik ben zelf gelukkig tot nu toe van de ziekte gevrijwaard gebleven, maar mocht ik hem eens oplopen, dan troost ik me met de gedachte dat het verzameld werk van Ilja Leonard Pfeijffer is uitgekomen.
‘De man van vele manieren’ bevat al zijn illustere bundels: ‘Van de vierkante man’, ‘Het glimpen van de welkwiek’, ‘Dolores’ en natuurlijk het onovertroffen ‘In de naam van de hond.’ Bent u van de ingewikkeld doenerige saaiheid van de titels nog niet vermoeid genoeg, dan raad ik u aan de inleiding op het verzamelde goed eens te lezen. Deze litanie begint met de constatering: ‘Ik ben een miskend dichter.’ Vervolgens volgt er een litanie over de eerbewijzen die de man zijn toegevallen, inderdaad schokkend veel! Het bevrijd u even uit de sluimer waarin u verzand was geraakt. Gelukkig zakken de oogluiken weer dicht en lijkt de Pfeijfferiaanse moeheid toe te slaan, wanneer u het eerste gedicht opslaat.
Er is niemand in de Nederlandse letteren die zichzelf zo hopeloos probeert te presenteren alsof hij zichzelf niet zo serieus neemt. Het is zonder twijfel de grootste fetisjist na Reve, maar of de goede man daar trots op moet zijn? Er is ook niemand in Nederland die zoveel woorden nodig heeft om zo weinig te zeggen. En daar ging het hem in zijn inleiding om. De alom gerespecteerde en uitgeroepen constatering dat hij een virtuoos is, wat natuurlijk wel zo was, moet niet de illusie wekken dat hij geen inhoud zou hebben. Hmm, wat te denken van iemand die in de inleiding van zijn eigen verzameld werk een lans moet breken voor zijn eigen inhoud! Er is ook niemand in de Nederlandse letteren, overigens die me zo iriteert als de heer Doodmoe. Want dat word ik ervan: Doodmoe.
De goede man is gepromoveerd classicus nota bene, maar vindt het toch nodig om de achterkant van zijn werk te sieren met een foto van zichzelf. Op zich een recht dat de man verworven heeft, daar is geen speld tussen te krijgen. Maar kunnen wij alstublieft verschoond blijven van deze wansmaak! Er wordt al zo weinig poëzie verkocht in Nederland en dit gaat echt niet helpen. De gerespecteerde classicus, essayist, polemist, dichter, romancier en virtuoos heeft zich speciaal voor de foto spiernaakt (in zijn blote togus dus!) neergevlijd op zijn bank, waarachter zijn machtige boekenkasten boven hem uit torenen. Hij heeft zich neergevlijd op zijn sofa als was hij een heuse Rubensvrouw. Zijn pedante koppie met de snor, het sikje en het ravenzwarte, lange, golvende engelenhaar rust op zijn mollige polsje. Voor de volledigheid heeft hij er zijn brilletje maar bij opgehouden. Onder zijn enorme, ronde, glimmende buik, die in zijn eentje makkelijk vier pompoenen nadoet, ligt een aandoenlijk, donkerkleurig piemeltje, tussen een bed van vlees en zijn samengeknepen korte beentjes. De juffrouw van de boekhandel bij mij op de hoek en ik stonden er samen smakkelijk om te schateren, terwijl buiten de regen neerplenste. Zoveel vrolijkheid, mijn dag was in een klap goed!
Uitdagend blikt hij vanaf zijn glimmende kaft in de camera. Zo van: Kijk mij eens even naakt durven gaan op de foto voor mijn verzamelbundel. Ik ben altijd te porren voor stimulatie van de verkoop van vooral gedichtenbundels, maar ik kan u adviseren lezer: Houd die dertig euro in uw zak en ga er iets leuks mee doen. De foto op de achterkant van de bundel zegt helaas al genoeg over de inhoud.Gedichten geschreven door een mannetje van veertig dat het nodig vind om naakt achterop zijn eigen boeken te staan. (Dat hij dat durft!) Taalbrouwsels zonder kop en staart die maar doorzwattelen en doorzwattelen over niets. Werkelijk nog nooit een dichter gezien met zo weinig scrupules, en evenveel benul van taal en zijn mogelijkheden. Deze man is werkelijk een virtuoos in totaal inhoudloze non-gedichten, de naam poëzie onwaardig.