Dilemma
De columns van Bert Keizer (in Trouw op zaterdag) zijn elke keer opnieuw een bron van genoegen voor me. Keizer is mens (mens bedoeld als compliment). In de column van gisteren had hij het over De Fluisteraars van Orlando Figes, over diens verhaal van de lange geschiedenis van de vernietiging van het privéleven en het gezinsleven in de Sovjet Unie. Als je dat boek leest, pagina na pagina, honderden pagina’s achter elkaar, kun je je afvragen of mensen wel in staat zijn ooit boven zichzelf uit te stijgen of dat we ertoe veroordeeld zijn ons te schikken in op wat op ons afkomt, hoe erg dat ook is. We hebben veel geleerd, concludeert Keizer, en het wiel hebben we echt wel uitgevonden maar we zijn niet veel aardiger geworden. En dan zijn eindschot: aan het einde van het boek, in de jaren negentig, laat Figes opnieuw de vrouw aan het woord met wie het boek ook begint en die haar hele leven lang heeft geleden onder het feit dat haar vader tot koelak werd bestempeld, werd opgepakt en in een kamp gezet. Ze heeft haar verleden verzwegen net zoals haar twee echtgenoten het hunne verzwegen tot, opnieuw, begin jaren negentig de sluiers mochten verdwijnen. Voor hoe lang? Bij hen, omdat het nooit ophoudt, speelde die vraag wel degelijk en Antonina en haar man besloten dan ook om hun geheime verleden voor hun dochter geheim te houden. Je weet maar nooit. Antonina Golovina, want over haar hebben we het, bezoekt begin jaren negentig, ze zal dan zo rond de zeventig jaar oud zijn, een oude plek, een plek uit haar jeugd. Ze komt een andere vrouw tegen en die vertelt, bijna tussen neus en lippen door, dat ze op die plek terecht kwam omdat ze weg moesten waar ze vandaan kwamen: haar vader was koelak. Antonina is geschokt. Niet over het feit, het was haar en haar familie ook overkomen. Het was miljoenen overkomen. De schok was dat iemand dat zo maar durfde zeggen. Zonder angst en zonder eerst even om zich heen te kijken. Antonina, die keek nog even rond toen ze het hoorde want zelfs de buitenlucht heeft misschien oren. En dan, even later durft ze zelf ook: ik ben de dochter van een koelak.
Aan die passage herinnert Keizer ons. Het is diep treurig maar niet helemaal hopeloos. Zoiets. Ik vind het tekenend voor de columns van Keizer en ik denk dat ik er daarom op gesteld ben, op die heldere pen, op die directe taal en op dat glimmertje zon. Menselijk, steeds weer menselijk (als de parafrase is toegestaan). En, Keizer is niet bang voor het dilemma. Hij koerst niet op oplossingen maar op omgangsvormen. Ook dat bevalt. Hij vraagt zich af: gaat er iets preventiefs uit van ons weten van het weten dat Figes zo onontkoombaar heeft opgetekend uit de monden van zijn informanten die de ellende van het fluisteren aan den lijve hebben ervaren en waarvoor Figes en zijn ploeg document na document hebben opgeduikeld om ze voor ons toegankelijk te maken?
Dat is een interessante vraag, juist in het licht van Figes’ grote studie. Door een exemplarische demonstratie van wat oral history is, toont het boek aan dat wie wil heersen de kinderen moet opeisen en via de kinderen de ouders disciplineren. Het begin was niet het fluisteren, het begin was het klikken over en het aanbrengen van ouders en opvoeders omdat ze nog aan de oude maatschappij hingen, de oude maatschappij nog belichaamden en de oude maatschappij weer terug zouden brengen als ze er de kans voor zouden krijgen. Dacht men. Wist men. Voorkwam men. De kampen, de moorden, het uit elkaar trekken van gezinnen, het deporteren van gezinnen, het schuldig verklaren van mensen omdat ze een relatie hadden met iemand die op dezelfde manier maar dan wat eerder schuldig was verklaard, het was allemaal preventie. Het fluisteren is ten opzichte van de verschrikkelijke preventie een reactie met als resultaat de eenzaamheid van de angst waar geen uiting aan kan worden gegeven. Even verschrikkelijk dus, ze zijn aan elkaar gewaagd.
De preventieve les van Figes is dat we het preventievirus – in ons land breder verspreid dan het griepvirus – moeten bestrijden.
18 januari