Ding

 

Alles wat Camus van de moraal wist had hij aan het voetbal te danken. Deze uitspraak vond ik in het boek van filosoof Jan Vorstenbosch Voetbalgek (Lemniscaat, Rotterdam: 2010: 41). Vorstenbosch, zelf een verdienstelijk amateurvoetballer, beschrijft het voetbal vanuit de voetballer. Dat is het juiste perspectief. Het luisteren naar muziek is voor de actieve muziekbeoefenaar iets anders als voor de passieve consument (Adorno wees er al op) en het kijken naar voetballen is voor de voetballer een andere beleving dan voor hen die nooit de vreugde van het spel hebben leren kennen op straat, op kleine veldjes, op het echte veld.

 

Nog anders is het voor het jongetje Cruyff en het jongetje Vorstenbosch, jongetjes die eindeloos in hun eentje met een bal tegen een muur (of een luik) hebben getrapt om alles van de nukken van de bal te leren, alles van de voet die de bal stuurt, alles van de verantwoordelijkheid die jij hebt voor het resultaat want jij trapt die bal en jij doet al doende de kennis op over de interactie tussen bal, muur, en voet. Die kennis verplaatst zich naar de voet, komt in de voet (de voet is erg ondergewaardeerd zegt Vorstenbosch terecht, tot en met de taal aan toe) maar hoe dan ook, jij bent de enige verantwoordelijke. Daar zit de moraal want jij hebt het gedaan en als het niet beter gaat ligt het alleen aan jou. De verplichtingen op het veld, later, zijn er een voortzetting van en combineren collectiviteit en individualiteit (:157).

 

De voet. Je gooit in met je handen maar in het veld zijn handen en armen verboden. Komt het voor dan als de Hand van God. Verder niet. Handen zijn taboe. Dat leer je net zoals de keeper leert dat zijn handen weer wel mogen en moeten. Waarom Zidane een kopstoot gaf en geen stomp? Omdat een voetballer z’n handen niet gebruikt en een echte voetballer heeft dat gebod zo goed geïnternaliseerd (: 71) dat hij dat ook in woede niet doet. Met die kopstoot bewees Zidane hoezeer hij een voetballer was. Ik vind het wel een aantrekkelijke uitleg. Zidane heeft ongetwijfeld ook eindeloos de bal tegen een muurtje aangetrapt.  

 

De bal is een ding. Het is het middel aan de hand waarvan (moet natuurlijk zijn: aan de voet waarvan) je je verantwoordelijkheden leert exploreren, verdiepen en accepteren. Kinderen winnen hun eerste gevoel van zelfstandigheid via het ding, van het klosje van Freud tot en met de knuffel die altijd mee moet en altijd beschikbaar moet zijn. Het ding leer je naar je hand zetten (fort – da), het is een medestander, en een overgangsobject tegelijk, een ding dat de overgang vergemakkelijkt naar de grote wereld waarin je het alleen volhoudt als er ten minste nog iets is dat je naar je hand kunt zetten (: 35-36). Naar je voet, want je kunt ook dat leren.

 

Dat overgangsobject en het erbij horende overgangsgebied word je vanaf de lagere school snel afgenomen stelt Vorstenbosch in ditzelfde verband. Knuffels mogen de klas niet in, ballen al helemaal niet. De straat is de kinderen ook al afgenomen en zelfs blinde muren zijn schaars. Voetbal is school aan het worden en we zien het terug in het systeem of de systemen van het huidige professionele voetbal dat ook z’n schaduw werpt over elke amateurbeoefening van die sport. Vorstenbosch verwijst naar een publicatie met daarin de stelling dat het voetbal is doorgeschoven van ‘verrukking’, via ‘kunst’, naar ‘systeem’ (:172-173). Zelf prefereert hij dat geen fasen of ontwikkelingsstadia te noemen maar dimensies. Aspecten lijkt me nog zuiverder maar vooruit. Misschien zijn het geen historische stappen van pakweg 1870 tot nu, maar het zijn wel stappen die het kind zet van z’n eerste bal tot en met Johannesburg en dan gaat het wel degelijk om een ontwikkeling in de tijd. En dan komen we met aspecten niet uit. De verrukking komt in het gedrang en zelfs de kunst wordt ondergeschikt gemaakt aan het systeem.

 

Het ding wordt steeds vroeger ingeruild voor de dril. Wat dat betekent voor de verantwoordelijkheid en de moraal van Camus wordt door Vorstenbosch niet uitgewerkt. Ik zou er meer over willen weten, over de verschoolsing van het voetbal en over voetbalscholen die de discipline er in hameren in plaats van op de ontwikkeling van de kinderen zelf te vertrouwen. Die de eigen leerschool van het ding vervangen door de instructie door anderen.

 

Zou het op toeval berusten dat toptrainers allemaal zo hun systeem koesteren en zelden (Beckenbauer is een eenzame uitzondering) topvoetballers zijn geweest?

 

8 juli