DINGEN
Maar misschien zijn de dingen wel belangrijker dan we geneigd zijn aan te nemen. Zo, ongeveer, ging Bordewijk in op een kritische kanttekening die Hermans plaatste bij een verhaal van hem. Bordeijk heeft gelijk. Dingen zijn heel belangrijk. Ze versnellen, vertragen, bemiddelen, onderbreken, en ze hebben nog een eigen leven ook. Hermans was, zou je kunnen zeggen, meer socioloog dan hij wou weten en bij dat weten paste niet een sociologie van, pak ‘m beet, een Bruno Latour want bij die sociologie spelen de dingen juist wel een rol van betekenis. Geen ‘bijkomende’, maar een ‘constituerende’. Steeds meer zou je zelfs moeten zeggen, gelet op de ontwikkelingen in wetenschap en technologie. Het zou Bordewijk hebben bevallen, de manier van denken van Latour (niet van diens manier van schrijven, vermoed ik, maar het kan zijn dat ik hier geheel onterecht de naam van Bordewijk opvoer voor een particuliere mening ).
Ik heb het over een brief van Bordewijk aan Hermans van 13 maart 1957 (opgenomen in de recent uitgegeven briefwisseling tussen die twee, Een onmiskenbare verwantschap. Brieven 1944 – 1965. Amsterdam, De Bezige Bij 2011). Het gaat in die brief overigens niet over dingen versus mensen, het gaat over het ‘materiële’ en het ‘spirituele’, de ‘stof’ en het ‘individu’. Hermans vindt Bordewijk teveel naar het materiële neigen en te weinig naar het spirituele. Zoiets ( Hermans schrijft, 9 maart 1957, ‘Er is in uw verhalen altijd een voelbare discrepantie tussen de dikwijls geniaal beschreven dode stof en een niet erg overtuigende weergave van de psychische materie. Ik zou zelfs willen zeggen: een schrille tegenstelling’). Valt best mee, antwoordt Bordewijk in de eerder aangehaalde brief want ik word aardig gelezen en dan ben je toegankelijk voor een gemiddeld publiek en een gemiddeld publiek vraagt om een inhoud met ‘voldoende van het spirituele’. Anders zouden ze het niet kopen, toch?
Hermans en Bordewijk beginnen hun correspondentie als Hermans ervan beticht wordt wel erg dicht op Bordewijk te zitten. Plagiaat, als het ware. Hermans gaat bij Bordewijk te rade. Is het zo, vraagt de dan nog zeer jonge Hermans? Wil Bordewijk de omstreden stukken eens lezen? Nu, vooruit, schrijft deze maar hou het bescheiden want veel tijd heb ik niet. Hermans geeft zijn eerste nog niet eens gepubliceerde boreling ter lezing aan de door hem bewonderde auteur. Is het zo? Nee, zegt Bordewijk, de invloed is er en verder hoef je wat mij betreft niet te gaan. Dat is aardig, Bordewijk die een ‘verwantschap’ noteert (en daar best tevreden mee is), Hermans die het oordeel van een lezer van zijn teksten direct voorlegt aan degeen van wie hij teveel zou hebben geleend. Het typeert Hermans: direct, op de man af, en open, zeker ook dat laatste. De eerste brieven zijn de opmaat voor latere, aanvankelijk voornamelijk op initiatief van Hermans, later meer van beide kanten komend. Het typeert Hermans ook dat als Bordewijk hem om een oordeel vraagt hij dat oordeel ook geeft en daarbij de kritiek niet schuwt. Of kritiek, eerder de kanttekening, maar wel zo dat we de stijl van Hermans er in herkennen. Hij zegt wat hij vindt dat gezegd moet worden. Dat gebeurt omgekeerd ook, de verwantschap is niet alleen een literaire. De wederzijdse waardering is er ook, evenals het respect van Bordewijk voor de koppigheid waarmee Hermans het literaire wereldje en het literaire prijzenwereldje negeert. Ook dat komt ter sprake.
Het aardige is (ik vind het aardig) dat beiden elkaar tot het einde van de briefwisseling aan toe (Bordewijk overlijdt in 1965) met U blijven aanspreken. Het zijn nog heren van de hoffelijkheid, ja, ook Hermans. Het kan zijn dat het te maken heeft met de persoon van Bordewijk(het wordt door de bezorgers van de briefwisseling een beetje gesuggereerd). Bordewijk was geen prater, liet van weinig van zichzelf blijken en, hoewel Hermans en hij elkaar een paar keer zijn tegengekomen (ook op initiatief van Bordewijk trouwens) werd het nooit een gezellige boel. Maar, we weten dit wel een beetje vanuit Hermans, niet vanuit Bordewijk. Ik hecht er niet veel belang aan, de hoffelijkheid (de uwe, geheel de uwe, uw dw., alles van Bordewijk), die is pas mooi.
Er zit een ontwikkeling in de brieven. Bordewijk geniet steeds meer van zijn veel jongere collega en laat dat ook blijken. Hermans heeft dat goed doorgehad en geapprecieerd. Hoe stilzwijgend ook (stel je eens voor: een stilzwijgende Hermans), de zachtmoedige kanttekeningen van Bordewijk bij zijn penvruchten – Hermans slikt het. Of kanttekeningen, ook dat is een te groot woord, Zelfs speldenprikken, bij gelegenheid komen ook die voor, is nog te ruim bemeten. Het zijn uitnodigingen, uitnodigingen om elkaar beter te leren kennen. Daar is het niet echt van gekomen. Ik kan niet beoordelen of dat aan beiden ligt, of meer aan één onder hen. Het overlijden van Bordewijk heeft er, ik neem de briefwisseling als geheel als getuige, niets mee te maken. Maar als je zo’n boek leest, lees je (ik) het ook om via de briefschrijver dichter bij de schrijver te komen. Dat is een beetje zo, met deze briefwisseling. Meer had gemogen – ik weet alleen niet hoe ik dat als vraag naar voren zou kunnen brengen, en of het fair is het naar voren te willen brengen. Wat ik weet is dat de correspondentie tussen de heren me nieuwsgierig maakt. Maar naar wat ook alweer?
Natuurlijk, naar hun ‘onmiskenbare verwantschap’, wat anders? Het zou zo maar kunnen dat diezelfde verwantschap het verlangen naar meer oproept en er tegelijkertijd niet aan tegemoet kan komen.
Ven nieuwsgierige mensen, de dingen die niet voorbijgaan.
Montchanson, 19 augustus 2011