Een avondje vrij

 

 

Het moest een fijne en mooie column worden, dat was de opdracht die ik mezelf had gesteld, na al het geklaag en gezeur van de afgelopen paar keer. Immers, je kunt wel blijven klagen over van alles en nog wat. Mijn God er is nog al niet wat mis in de wereld vandaag de dag. Er komt geen eind aan, maar dan dus ook niet aan het gezeur erover. Het houdt nooit op en het gras is aan de andere kant altijd groener, of er groeit helemaal geen gras en dat is dan het probleem. Hoe dan ook, ik zou niet zeuren vandaag.

  Dus geen gezeur over de wereld, borrelend van sluimerend geweld gelijk een snelkookpan. Niets over de repressieve sociale controle in eigen land. Gewoon iets moois, iets kleins. Een mens is ook niet gemaakt om alleen maar te klagen, daar wordt het treurig van. En aangezien ik voor beiden een bijzonder ontwikkeld talent aan de dag weet te leggen, wordt het voor mij de hoogste tijd om weer eens uit een ander vaatje te tappen.

  Laatst zat ik in Eijlders, en ik weet wat u denkt, dat doet hij altijd dus wat is hier nu anders aan? Maar laatst zat ik dus in Eijlders, waar ze aan het rookverbod een hele mooie mouw hebben gepast, die het hele gedoe bijna draaglijk maakt. Ze hebben hun serre omgebouwd tot rookruimte. Daarbij staan de verwarming aan en de dakraampjes open, waardoor het niet zo’n hol wordt waar je geen hand voor tranende ogen ziet en waar je de rook in plakjes moet snijden en die dan na goed kauwen door je geïrriteerde keel moet duwen.

  Nee, het is zowaar bijna een normaal cafeetje in het klein geworden. Er staan tafeltjes met, zoals het hoort, een brandend kaarsje en een propvolle asbak; en dan ruim bezaaid met lege, halfvolle en volle glazen, lege bitterbalbordjes, kruimels, verfrommelde servetten en hier en daar hopen as. Het is er afgeladen vol en vaak zelfs nog gezelliger dan in het café erachter, waar niet gerookt mag worden en mensen met lede ogen door een glazen wand kunnen zien hoe leuk de rokers het hebben in hun kleine rookdependance.

  De glans hiervan is dat je nu nog makkelijker met anderen in aanraking komt en met anderen aan de praat raakt dan je al deed in een kroeg als Eijlders. Je bent nu haast wel nood -gedwongen om bij elkaar op schoot te kruipen. Geen slechte gedachte in deze kille, individuele, prestatiegerichte tijd dacht ik zo. Een beetje aandacht, medemenselijkheid en warmte, de gulle lach. Het is als een willekeurig rad van fortuin. Weeeeelkoooouuuummmm!!!!! met welk interessant en leuk persoon (want mensen die roken zijn vaak interessant en leuk dat weet iedereen) komt u vandaag in aanraking!!! Ik hoor het Gaston al zeggen met die Hilversummer rollers.

  Laatst zat ik op mijn gemakje een sigaretje te roken, volmaakt gelukkig eigenlijk, toen er een man naast me kwam zitten. Hij propte zich op een wankele stoel tussen mijn tafeltje en het tafeltje van mijn twee buurvrouwen, die op een armlengte van ons vandaan in een giftige ruzie verzand waren geraakt en er verder grimmig het zwijgen toe deden. Maar zij waren allerminst representatief en hadden niet de minste invloed op de goede sfeer. Desalniettemin was het dus logisch dat de man zich naar mij toekeerde, nadat hij de brand in een sjekkie had gejaagd en tevreden de eerste rookpluim had uitgeblazen.

  Het was zoals men dat zegt: een doodgewone man. Maar dat was het ook echt. Beleefd informeerde hij naar mijn bezigheden. Gewoon zonder introductie, zonder aanleiding vroeg hij uit belangstelling wat mij bezighield. Dat gebeurt mij overigens wel vaker, en ze horen tot de gelukkigste momenten die ik ken. Misschien niet op dat moment, maar dan toch zeker wel achteraf. In retrospectief

  Ik melde hem dat ik geschiedenis studeerde, net gewerkt had in de slijterij en dat ik, zijn vraag beantwoordend, graag schrijver wilde worden en ook wel voor de klas wilde staan. Anticiperend op mijn zachte tongval raadde hij dat ik uit Tilburg kwam. Eindhoven, net mis, zei ik, maar ik heb er wel gestudeerd. Zonder verder door te vragen legde hij mij uit, dat hij wel uit Tilburg kwam en een hotelbedrijf had, alweer achtentwintig jaar in Amsterdam woonde en twee zoons had van mijn leeftijd. De een deed iets economisch, de ander niets. Maar hij liet zijn zoons vrij in alles. Ze mogen van mij aan alles ruiken, zei hij. Toen vroeg hij of ik een goede band met mijn vader had. Ik zei dat ik erg veel van mijn vader hield, en ondertussen dronk ik tevreden van mijn bokje. Mijn conversatiegenoot die zich kenbaar had gemaakt als Han, nipte aan zijn Tonic. We rookten. Zo vanzelfsprekend kunnen dingen zijn. Zo ongecompliceerd, zo volledig zichzelf. Het was bepaald vredig te noemen, een vredig tafereel dat was het!

  Vanachter het raam, in het café zelf, vlak voor de rookruimte, keek vanuit een stoel naast de piano een Beagleachtige hondje toe die zijn flaporen en droeve snoet op een stoelleuning gelegd had. Hij wachtte lijdzaam. Die is van mij knikte de man, vertedering glinsterde in zijn ogen. Daarop stikte hij bijna in een plotselinge donderende hoestbui die ik en de andere rokers met stijgende paniek aankeken. Hij werd helemaal paars en hij rapste, happend naar lucht, voor zijn leven. Ik dacht een splitseconde: Ik ga hier toch godverdomme niet iemand voor mijn ogen zien sterven vandaag. Maar de hoestbui was even plotseling voorbij als hij gekomen was.

  Han wees met een hoofdbeweging naar de oudere vrouw die kaarsrecht in een stoel naast de hond zat. Ze droeg een grote fonkelend uilenbril en heur haar droeg ze kort maar verzorgd.

Ze ging schuil in een dikke bontmantel en hield haar vogelknuistjes, ook binnen, in haar lederen handschoentjes gestoken. Ik moet eens terug, zei hij.

  Ik gaf hem een hand en zei hem dat ik het een prettig gesprek had gevonden en dat hij vooral de groeten moest doen aan zijn vrouw. Hij keek me aan als iemand die zich heeft geschikt in zijn verlies. Hij had er al lang vrede mee. Het was niet anders. Een trieste vrede dat was het wel, dat zag je zo. Hij was er niet blij mee, maar liet zich niet kennen. Gelaten zei hij: Het is mijn vrouw niet, het is mijn schoonmoeder. Mijn vrouw heeft een avondje vrij.