Erg, erger, ergst
De Duitsers waren erg, de Polen nog erger en de Oekraïners waren het ergst. Zei de grootvader van Daniel Mendelsohn, de schrijver van Verloren; op zoek naar zes van de zes miljoen, dat recent in het Nederlands is vertaald. De schrijver zit er een beetje mee. Hij heeft in zijn zoektocht naar sporen van, herinneringen aan en verhalen over zes door de nazis en/of Polen en/of Oekraïners vermoorde mensen (een broer van zijn grootvader, diens vrouw en hun vier dochters) de halve wereld afgereisd, te beginnen in het plaatsje Bolechow waar eeuwenlang Joden, Polen en Oekraïners naast elkaar woonden. In Bolechow is hij met diverse Oekraïners in contact gekomen, vriendelijke en behulpzame mensen die hun best deden om de honger naar informatie van Mendelsohn te stillen. Er zijn daarnaast de verhalen over de huiveringwekkende wreedheden waar de Joden van Bolechow aan hebben blootgestaan, met de Oekraïners in een hoofdrol. En verhalen over hulp, ook van Polen, ook van Oekraïners zodat uiteindelijk 48 van de meer dan 6000 Joden uit Bolechow de massamoord overleefden.
Mendelsohn aarzelt niet alleen vanwege het feit dat naast de overheersende bestialiteit ook daden van compassie hebben bestaan, daden waar enorme persoonlijke risico’s aan vast zaten. Hij aarzelt ook omdat het hem te ver gaat om hele bevolkingen als wreed of bestiaal te karakteriseren, dan wel als gastvrij of behulpzaam. Hij aarzelt om kwalificaties die hij voor mensen in petto wil houden aan bevolkingen toe te schrijven. Dat siert hem. Maar het vraagstuk is daarmee niet opgelost en daar zit hij mee. Het vraagstuk is de keuzes te achterhalen die mensen maken en daarbij de omstandigheden en geschiedenissen die de keuzes omkaderen niet te vergeten. Mensen dus en niet bevolkingen, en inclusief de verontrustende gedachte dat alle mensen in alle bevolkingen onder omstandigheden tot onvoorstelbare gruwelen in staat zijn. Gegeven de bekende geschiedenissen (over veroveringsoorlogen, godsdienstoorlogen, kolonialisme, imperialisme, totalitarisme) gaat het zelfs wel om meer dan alleen het neutrale ‘in staat zijn’. Die latentie heeft zich al talloze malen geactualiseerd. Tot op de dag van vandaag en niet alleen bij hen die onze tegenstanders zijn. Mendelsohn noteert een parallel tussen de vernedering van de Joden in Bolechow en de vernedering van Irakezen in Abu Ghraib.
Er is nog een derde reden voor Mendelsohn’s aarzeling. Hij is geïnteresseerd in zijn zes familieleden omdat hij hun leven wil reconstrueren, niet alleen hun dood en de omstandigheden waaronder ze vermoord zijn. En hun leven, dat gaat over de gewone dagelijkse dingen waardoor het leven leuk of minder leuk is, leefbaar of minder leefbaar, opwindend of saai. Details dus en hij wil het juist over hen weten omdat zijn grootvader veel vertelde over het oude land en over de familieleden die daar woonden, behalve over die ene broer en diens familie. Mendelsohn beseft steeds dat hij ook op zoek is naar de redenen voor die zwijgzaamheid. Wij kunnen met hem speculeren maar we komen er niet uit. Er zijn verhalen, gaten in verhalen, verhalen over die gaten in de verhalen, verhalen over de verhalen, elkaar tegensprekende, aanvullende, in twijfel trekkende verhalen. Er zijn gevoelens van schuld, van schaamte, van saamhorigheid en verdeeldheid. Er zijn veroordelingen en oordelen, over mensen en over hele bevolkingen. Zoals de Oekraïners. Maar veel is weg en niet meer te achterhalen. Dat betreft dan met name het leven zelf, niet met een hoofdletter maar met de namen van de mensen wier leven het was, en de details waaruit datzelfde leven is opgebouwd. Dat is de fundamentele aarzeling. Dingen gaan verloren en al sprekend kunnen we de omvang van dat verlies een beetje pogen te markeren en – wie weet – soms iets te weten te komen wat we nog niet wisten. En als dat het geval is weten we nog niet wat het zegt over het gebeurde en wat over de verteller en over de verteller waar de verteller het vandaan had.
Gisteravond zag ik een stukje van de Zweedse detectiveserie Wallander. Ik vertelde Elly dat de vrouwelijke hoofdrolspeelster in die serie inmiddels zelfmoord had gepleegd. Had ik ergens gelezen en wij vonden dat die vrouw in haar spel ook iets sombers, iets omfloerst, had. Vanochtend bedacht ik me dat ik dat verhaal over die zelfmoord al eens enkele maanden geleden had gelezen, toen de Wallanderserie ook op tv was geweest. Of toch niet? En vond ik het spel van de actrice somber omdat ik dat zag of omdat ik keek met de wetenschap – hoe weinig bewust ook – van haar dood? Ik weet het niet meer. Als ik dit al niet weet – en hoe kan ik daar iets over te weten komen behalve dat ik me best kan vergissen en al lang niet meer in staat ben te reconstrueren wat het eerst kwam en wat daarna –, wat zou ik dan te vertellen hebben als ik ooit ondergedompeld was geweest in de verschrikkingen van Mendelsohn’s zegslieden? Ik aarzel al bij de gedachte. Laat staan bij het verhaal. Laat staan bij de accuratesse van het verhaal. Mendelsohn kan zich dergelijke aarzelingen permitteren en ik al helemaal. Zijn helden daarentegen hebben, om het voor hen nog een beetje hanteerbaar te houden, de grotere oordelen nodig. Erg, erger, ergst.
18 november