Gereedschap
Een begrip is een stuk gereedschap. Je maakt er onderscheidingen mee, het voorkomt verwarring en met een beetje geluk kun je het daarna eindelijk eens hebben over wat er nu werkelijk aan de hand is – in plaats altijd terug te vallen op de banaliteit dat jij het toch echt anders ziet. Daarom zijn begrippen niet alleen nuttig, ze zijn zelfs noodzakelijk, althans in een beetje geordend discours. Ze horen bij de spelregels van het vak. Bovendien, goed gereedschap is het halve werk en het bespaart, ook niet niks, een boel overbodig werk. De hoeveelheid onderzoek dat direct de prullenbak in kan, omdat men van mening is dat de begrippen van goed en kwaad ook goed en kwaad zijn, is verbazend groot. Of omdat met het begrip cynisme verwart met cynisme, het begrip multicultureel met multicultureel en het begrip wetenschap met wetenschap. Of omdat men denkt dat het begrip normatief voldoende normatief is om er elke keer als je in de problemen komt de gaten in je argumentatie mee op te vullen.
Je zit in de trein en je leest wat. Het is niet moeilijk te raden wat ik las. Ik las De improvisatiemaatschappij; over de sociale ordening van een onbegrensde wereld van Hans Boutellier (Den Haag, Boom | Lemma Uitgevers 2011). Een onbegrensde wereld kun je slechts beschrijven door een goed begrip van wat een grens is: een hobbel, minstens twee zijden, meer of minder makkelijk over te steken – tot aan de volgende grens. Moet ik nu aannemen dat in een onbegrensde wereld de eerste, de laatste en alle tussenliggende grenzen zijn opgeheven? Hoe ‘orden’ je iets wat zonder grenzen is? Ik bedoel dit niet als een paradox want het is geen paradox. En Boutellier bedoelt het ook niet als een paradox. Ik denk dat het als een ‘metafoor’ ziet. Mijn vraag: een metafoor waarvan? Niet van de wereld, begrensd of onbegrensd. Mijn improviserende bod (ik heb zelden zo veel moeten improviseren als bij dit boek) is dat Boutellier het over de benarde burger heeft die het wel leuk vindt, dat internet en zo, maar ook bedreigend en, onder ons gezegd en gezwegen, meer bedreigend dan leuk. Het is geen boek over de maatschappij, het is een boek over de Nederlandse burger. Dat maakt verschil. Begripsmatig bijvoorbeeld.
Er is ook geen sprake van een ongeordende maatschappij, althans niet in de beeldvorming van Boutellier. De maatschappij is zelfs buitengewoon geordend, met tal van instituties, met het recht, met een staat die we niet moeten onderschatten en met professionals die, hoe ‘eenzaam’ (: 151) ook, hun publieke taak uitoefenen. Eenzame professionals, je moet er maar opkomen, op een ‘begrip’ dat van de professional een held maakt en de professie (het gezelschap dat de professional begeleidt) en passant verdonkeremaant. Hoezo, eenzaam? Eenzaam maar niet alleen? Nee, ordening genoeg. Waar het aan schort is aan het geloof van de burger. De burger zit in een kramp en zegt dat het komt omdat het zo spartelt. Kan, kan niet, zou je moeten onderzoeken. Dat gebeurt niet, de kramp is model.
Het verklaart de opbouw van het boek. De burger wil niet ontspannen, de burger wil meer greep want de burger zit in het defensief. Neem de hufter. De hufter is de ander. Niet alleen onbeschaafd maar ook onveilig. De burger is onveilig, niet vanwege de gebeurtenissen maar vanwege het gevoel. Het gevoel? Het gevoel. Dus willen we meer straffen, we willen handhaving. Of eigenlijk, we willen het wel en we willen het niet. Willen we meer straffen? Dat valt nog wel mee (: 123). Wie moet je straffen? De hufters natuurlijk maar dat zijn kleine vissen. Het zou zo maar kunnen dat het ‘gevoel’ van onveiligheid berust op de correctie observatie en de correcte redenering dat de schade capaciteit van bijvoorbeeld het financiële stelsel, dat de capaciteit van vernietiging in het energiestelsel, dat de capaciteit van ontregeling in de internationale verhoudingen te groot is om door wie dan ook beheerst te worden. Het kan zijn dat de burger best weet dat wat door de experts en de politici als risico wordt verkocht geen risico’s zijn die je wel durft te nemen maar gevaren die je niet zou moeten willen lopen omdat je je er niet tegen kunt weren. Dat de politici die ons vertellen dat het zo’n vaart niet loopt niks kunnen doen behalve doen alsof. Het kan zijn dat de boosheid op de politiek daar mee te maken heeft – niet boos om wat ze doen maar boosheid omdat ze doen alsof. De burger zou wel eens een boel rationeler kunnen zijn dan de expert – maar die gedachte is in het boek niet te vinden. Dat de experts het ook niet weten en dat de burgers dat uitstekend doorhebben – het is een gedachte die niet eens wordt geopperd. Wel dat in onze ‘participatiemaatschappij’ iedereen moet meedoen – en de afstand tussen burger en expert er niet kleiner door wordt. Misschien heeft het één iets met het ander te maken? Evenmin komt de eenvoudige gedachte naar voren dat wat voor de één een risico is voor de ander een gevaar kan zijn: dat niet alle burgers gelijk zijn en dat niet alleen risico’s niet voor iedereen hetzelfde uitwerken maar gevaren evenzeer. Ook als iedereen verliest verliezen sommigen meer dan anderen en uit het verschil vloeit niet alleen na-ijver voort maar ook de wetenschap dat zulke uitkomsten de ongelijkheden eerder versterken dan afzwakken. Het ‘gevoel’ is geen verklaring, het is een product en de burger zou geholpen zijn als hij minder als patiënt en meer als verstandig mens werd behandeld. Zelfs als de burger de complexiteitstheorie niet kent.
Tja, die complexiteit. De wereld is een netwerk, gevormd uit en door chaos. Chaos, zou je kunnen zeggen, is latente structuur en de structuur kan zich vormen en vertakken tot netwerken, met daarbinnen knooppunten, knooppunten van knooppunten en relaties tussen al die knooppunten. Sommige knooppunten zijn succesvoller dan ander knooppunten, hun aantrekkingskracht is groter en omdat succes succes genereert wordt hun aantrekkingskracht nog groter. Scheefgroei kan het gevolg zijn want niets is eeuwig, zelfs de eeuwigheid niet. Nou, misschien wel, maar omdat we dat niet weten telt het niet. Het is een soort evolutietheorie, vergissingen inclusief. Dan komt er wel weer wat anders. Denk aan de nijlbaarzen van Tijs Goldschmidt (Darwins hofvijver; een drama in het Victoriameer. Amsterdam, Prometheus 1994). Afhankelijk van de sterkte van de koppelingen in het netwerk bewegen we allemaal mee als er in het netwerk iets gebeurt (de Braziliaanse vlinder van Edward Lorentz die een tornado in Texas inluidt. Het is niet altijd leuk een ‘attractor’ te zijn). En we bewegen synchroon omdat het ritme niet aan ons maar aan het netwerk is uitbesteed. Dat is een onrustige gedachte dus waar is de stabiliteit?
De stabiliteit zit in de systemen want die hebben we ook nog, na en naast de structuur en de sync. Systemen hebben de eigenschap eerder meer dan minder zichzelf te blijven bij een verandering, een gebeurtenis, een verstoring. ‘Order from noise’ (: 117). Dat geeft rust want je doet wat je deed en je bent wie je was. Nu heb ik twee vragen. In de eerste plaats of het netwerk een systeem is of een structuur. Uit het boek leid ik het tweede af maar dat is niet erg overtuigend. Uiteraard, als het netwerk ‘onbegrensd’ is heb je geen systeem want geen systeem zonder omgeving en wat niet begrensd is, is hetzelfde als iets zonder omgeving. Hoe netwerken dan toch (: 152) kunnen uitsluiten (ze stellen hun eigen grenzen in dat geval zou je kunnen zeggen en trekken zich van de onze niets aan) is, hoe zal ik het zeggen, een raadsel. Hier had enige conceptuele helderheid niet misstaan. Al is het concept nog zo snel, de vraag achterhaalt hem wel. Dat brengt me bij mijn tweede vraag. Er is niet één systeem, er zijn talloze systemen en subsystemen. Die werken allemaal volgens hun eigen code, die codes kunnen elkaar tegenspreken en staan elkaar regelmatig naar het leven en niemand die er de regie over voert. Kortom, zou het zo kunnen zijn dat de stabiliteit van Boutellier wel opgaat op het niveau van elk afzonderlijk systeem (en ook dat is een dubieus uitgangspunt want gedacht zonder omgeving) maar niet op het niveau van de verzameling van alle systemen? Dat dat zelfs het ‘probleem’ is dat we al knutselend en improviserend steeds opnieuw mogen oplossen zonder dat het ooit opgelost wordt omdat het – de terugkeer naar chaos daargelaten – niet opgelost kan worden? Ik vraag het maar. Het boek geeft geen antwoord. Wel een bezweringsformule maar dat is niet hetzelfde.
Die bezwering bestaat in door de staat geschraagde, door de professionals bewaakte en door de instituties gereguleerde ‘normativiteit’ (: 136-137). Ik kan er ook niks aan doen maar onze netwerken zijn dan wel grensoverschrijdend, ze houden zich godzijdank wel aan onze verkeersregels. Dat wil zeggen, zo lang wij vertrouwen hebben in onze verkeersregels want met alleen controle lukt het niet. Waarom niet? Dat zou ‘onaantrekkelijk’ (: 131) zijn. En het begrip ‘onaantrekkelijk’ is zo onaantrekkelijk dat we dat niet zouden moeten willen.
De burger moet worden gerustgesteld en de burger kan worden gerustgesteld. Gaat u maar rustig slapen. Niettemin, met het conceptuele gereedschap van De improvisatiemaatschappij kun je niet eens de boter uit het pakje krijgen, laat staan er een deuk in slaan.
16 maart