
Toen ik zaterdag van de Noordermarkt afkwam en ik langs mijn oude woninkje reed
in de Jordaan, stond de deur open. Nieuwsgierig loerde ik naar binnen en zag
dat het trapgat was afgesloten. Een damesjup en een paar koters stonden bij
de deuropening en ik begreep dat zij daar nu woonden. Het hele pand hadden ze
gekocht en de ingang was via het benedenhuis. Mijn oude trap fungeerde als berghok.
Veertig jaar geleden woonde ik op de eerste verdieping van dat huis in de Tuinstraat
voor slechts drieëntwintig gulden per maand. Gertje woonde in de Egelantiersstraat
pal achter mij. Ze was etser en leed aan manies. Tijdens de periodes van hard
werken, etste ze duurzaam naar een expositie toe, ruimde obsessief haar huis
op en leefde als een kluizenaar. Ogenschijnlijk degelijk en solide.
Als 'het' omsloeg, kwam ze in de oppositie: 180 graden de andere kant op. Haar
huis werd een puinhoop, haar ogen stonden bezeten, het was afgelopen met werken
en ze hing uitsluitend nog maar in de kroeg rond. Ze verzoop al haar geld, gaf
gulhartig rondjes weg en gedroeg zich als een furie. Als ik met haar aan de
bar hing, moest geen man het proberen naar mij te lonken, laat staan versieren,
want Gertje sprong op en met het gebaar van een Gorilla die op z'n borst klopt,
brulde ze dan: kijk voor je, dat wijf is van mij-ijijijijijijij. Althans dat
dacht ze!
Tenslotte werd haar overal de deur geweigerd met name die van het café.
Alle grenzen vervaagden, ze kon werkelijkheid niet meer van illusie onderscheiden
en ze fantaseerde erop los.
In die periode hield ze op zekere dag voor enkele vrienden een ‘elitair’
feestje. Ook ik behoorde bij de genodigden. We zouden komen eten. 'Kip uit de
oven', verklapte ze met een té ondeugende blik in haar ogen. Het bezoek
druppelde binnen en op haar platje heerste al gauw een grote feestvreugde. De
ene fles wijn na de andere werd achterover geslagen en iemand had rode Libanon
bij zich, dat was nog eens goeie hasj.
Daar kwam Gertje aan met een grote schaal waarop vier dampende kippen lagen.
Het selecte gezelschap bestond uit: kunstenaars, leeglopers, nietsnutten en
ander langharig werkschuw tuig die al een paar dagen bijna niks gegeten hadden
vanwege hun lege beurs. Niets kon de feestvreugde meer verstoren.
In de tuin naast ons hoorden we opeens een hard gebrul. De buurman, die tevens
kippenboer was, liep met een roodaangelopen, van huis uit vadsige bolle kop
naar het randje van het platje. Hij had toch altijd eenentwintig kippen in z’n
tuin lopen?
Hij telde razendsnel zijn farm: 'Ik heb er nu nog maar zeventien en jullie…
en jullie… en jullie…' Hij sprong zowat uit z’n vel.
'Ja', grijnsde Gertje boosaardig met haar puntige wijsvinger naar de gebraden
hennen wijzend: 'en die… en die… en die… zijn van jou-ououououououou!'
es van essen