Giphart
Schrijvers zijn vreemde mensen, laat dat eenieder duidelijk zijn. Ze zijn niet vreemd omdat ze schrijver zijn geworden, ze zijn schrijver geworden omdat ze vreemd zijn. Hardnekkig vreemd. Eenmaal de schrijversidentiteit aangedaan komen ze er nooit meer van los. Ze blijven in hun rol tot hun dood. Een gelegitimeerde vreemdheid. Een vrijbrief voor afwijkend gedrag; dat wilde ik ook!
Het maakt niet uit of je stomdronken ondersteboven in een van die grote terrasparasols op het Leidseplein hangt en lichaamssappen lekt. Mensen zullen niet zeggen: ‘Wat is dat voor een mafkees, gatverdamme!’, nee mensen zullen zeggen: ‘Kijk daar hangt die schrijver, hij is echt vet goed.’ ‘Oh ja, vet, wat heeft ie geschreven dan?’, ‘ja god hoe heet het, eh dinges, weetjewel van die film met Georgina Verbaan.’, ‘Oh ja vers!’, en met de gloednieuwe Sony Ericsson vijf mexapixels wordt het tafereel dan vastgelegd.
Zo vergaat het je dus als schrijver, als je geluk hebt en tot de groten behoort. Laats zag ik in een aflevering van Pauw en Witteman, kwaliteitstelevisie van nu, veel beter dan Sonja Barend met haar saaie interessante diepte interviews, een aantal grote schrijvers. Bij elkaar zaten o.a. Harry Mullisch (er is maar een schrijver in Nederland en de rest doet er niet toe) en nog een paar krasse literaire knarren van diep in de tachtig. Jeroen Pauw, zijn haren wild, de schonkige kin in de knuist, de ogen diep en fonkelend, vroeg de heren naar hun, en ik verzin dit niet, ‘geestelijke leeftijd’. Daarbij ging het er niet om zoals ik dacht: hoe oud ze zich voelden op basis van de kennis die ze opgedaan hadden in hun leven. Het ging niet om de wijsheid die ze hadden opgedaan uit een heel leven lezen en schrijven, maar om een ander heel belangrijk feit. De hele NRC lezende, Pauw en Witteman kijkende, boekhandel Athenaeum platlopende grachtengordel wilde namelijk weten hoe jong de literatuurnestors zich voelden. Zonder blikken of blozen verkondigde de een dat hij zich nog steeds vijfentwintig voelde. De ander voelde zich geestelijk vijf, met veertig boeken op zijn naam en een column in eerder genoemde NRC, dat wel. Herr Mullisch tenslotte, voelde zich nog steeds achttien, een jonge God in het diepst van zijn gedachten.
Laat niemand ooit nog zeuren over de verjonging van de literatuur! Onze grote schrijvers hebben het schijnbaar eeuwige lichamelijke leven en ze voelen zich een kind van vijf of een puber van achttien. Daarbij kunnen ze tot hoge leeftijd copuleren met jongere vrouwen (Wolkers) en blijven ze vaak actief. Wat wil je nog meer! Zolang onze helden dikke boeken schrijven die wij toch niet lezen en bij ‘kwaliteits’programma’s op tv vertellen wat we allemaal willen weten, zie ik de donkere wolken van ontlezing en cultuurverarming aan ons kleine koude kikkerlandje voorbijtrekken.
Mijn eigen ontwikkeling van gewone rare snuiter tot gelegitimeerde clown, vond in fases plaats maar begon op mijn achttiende; toch maar even de geestelijke leeftijd van een van onze grootste schrijvers! Na een aanzwellend begin van enkele jaren, draaide mijn pubertijd inmiddels ronkend op volle toeren. Ik was volstrekt onhandelbaar en de recalcitrantie steeg tot onuitstaanbare hoogten. Rood aangelopen moesten opvoeders en gezagsdragers hun trillende knuisten omvatten om niet uit te halen, na de zoveelste met schelle overslaande stem toegebrachte belediging. Met een lichaam dat pompend en zwetend alle kanten uitstak, zocht ik voortdurend naar de heilige graal en informatie daarover. Nu wilde het geval dat we op de Mavo zoiets akeligs als een verplichte boekenlijst hadden en daar moest aan voldaan worden met net iets moeilijkers dan de Donald Duck en net iets makkelijkers dan W.F. Hermans. En oppeens was daar, verscheen daar in mijn geile, puberale geesteswereld, het universum van Ronald Giphart. Vol met gevatte, intelligente, maar toch net niet nerdy grappen, cynische halve en onwaarheden. En vooral veel geneuk met geile studentes, tot in detail beschreven: De Heilige Graal! Dit alles schijnbaar achteloos opgeschreven in een soort eigentijdse, toffe, oude jongens krentenbrood, vlotte taal, waar de hitsige opstandige puber die ik was zichzelf in terugvond. Ik vond mezelf toen al heel wat, maar nu had ik ook een echte identiteit! Ik was vanaf toen schrijver. Als ik schrijver was dan zouden, zoals Giphart schreef, de wereld en de vrouwen aan mijn voeten liggen.Voortvarend ging ik aan het werk. Ik schreef eendimensionale korte verhalen die vooral gingen over feesten en de kroeg, en die steevast uitliepen op een orgie met de jonge intellectuele held als middelpunt. Ik schreef ze in dat typische zelfingenomen, jonge honderige, betweterige Giphartjargon.
Ook buiten de Katja Schuurman Laser computer van mijn vader weerde ik me duchtig. Ik bezat inmiddels dat onmisbare schrijversattribuut om serieus genomen te worden: een bril. ‘Jij bent zeker schrijver?’ Is een vraag die iedere jongere met een bril minstens een keer naar zijn hoofd krijgt in de provincie. Daarbij stapte ik over van shag naar filtersigaretten, dat bungelde cooler in je mondhoek.Whiskey luste ik toen nog niet, maar met een Martini Bianco met citroen moest het ook lukken, als het maar in zo’n cool kort glas zat. Qua kleding transformeerde ik van de ‘baggy’ skater, die ik tot een week geleden hartstochtelijk was geweest, maar die me nu kinderlijk kinderachtig voorkwam, tot gewone strakke spijkerbroeken, die ik een week geleden nog afschuwelijk had gevonden (geen vrijheid). Daarbij droeg ik zwarte of gekleurde overhemden en een oud tweedehands tweedjasje.
Vanaf toen leefde ik een korte tijd in een gelukzalig universum. Het Giphart universum. Ik geloofde in de jonge, onbezorgde erudiete letterheld temidden van het volle leven dat aan hem ten prooi viel; vooral de studentes erin. Dat ik daarbij nog steeds op de middelbare school zat en in een saaie provinciestad woonde deerde niet. Dat die meisjes, laat staan studentes, me in het geheel niet zagen staan ook niet. Het deerde evenmin dat het in feite neer kwam op veel spijbelen en al je geld opdrinken, en gestaag dikker worden in de kroeg samen met ander Giphart apostelen en werkelozen.
Dit duurde een jaar, anderhalf jaar, en toen kwam ik echte literatuur tegen, en uiteindelijk ook het echte leven dat heel wat minder florisant en makkelijk leek dan in Gipharts universum, waar de echte impact van deze twee factoren op de nadenkende opgroeiende mens altijd op veilige afstand werd gehouden, om de droomwereld niet te verstoren. Overmoedig geworden als een heuse Icarus kocht ik in de Bruna van het buurtwinkelcentrum een paperback met de illustere titel: ‘Elementaire deeltjes’, van een Franse schrijver met een moeilijke naam. Mijn nieuwsgierigheid was niet zozeer gewekt, alswel dat ik het een machtig interessante en stoere titel vond: ‘Les Particules Elementaires’ Wauw! Ik voelde me, als intellectueel dan ook huizenhoog uittorenen boven het domme wicht achter de kassa. Ik voelde me een God, tot ik begon te lezen.
Inmiddels ben ik een jaar of acht verder. Ik lees elke dag de stomvervelende column van Giphart, mijn voormalige jeugdheld, in de Volkskrant. Elke dag wrijft hij ons in hoe oud hij wel niet is geworden, en hoe wijs. Hoeveel jaren er wel niet zij verstreken sinds die en die gebeurtenis. En hoe anders het leven is als je eenmaal volwassen bent. Ondertussen gebruikt hij nog steeds zijn eigen kleine stoerejongenstaaltje, bezigt hij al vijfentwintig jaar dezelfde metaforen op dezelfde wijze. Het past alleen niet voor een man van vijfenveertig om de hele tijd over seks te schrijven, moet hij gedacht hebben. Een mens moet zich ontwikkelen. Goede seks op gevorderde leeftijd, daar moet je Wolkers of Kluun voor hebben. Met dezelfde lachwekkende, humorloze ernst als in zijn eerdere werk, heeft hij gekozen voor een soort halfzachte, zoetsappige vorm van nostalgie. Uitgebreid horen we over de pittoresque jeugd van deze held van de vaderlandse letteren.
Ondertussen merk ik bij mezelf dat ik last heb van plaatsvervangende schaamte als ik nu zijn werk lees. Niet omdat je op je achttiende of vijentwintigste niet mag proberen voor te doen zoals je wil zijn zonder de volle werkelijkheid onder ogen te zien. Maar gewoon om het simpele feit dat ik het triest vind om te zien dat iemand zich op zijn vijfenveertigste nog steeds gedraagt als de jongen die hij wilde zijn toen hij achttien was. Net als Harry Mullisch eigenlijk, die op zijn tachtigste ook nog vind dat hij achttien is. Maar ja: Wie nooit volwassen wordt kan ook niet oud worden, toch?