HEELAL
Sierksma
Kortgeleden kreeg ik van een bekende een tekst waarin overpeinzingen staan over de kerk waarin hij groot werd – de Katholieke Kerk, de allesomvattende. Of ik er commentaar op wilde geven. Deze Kerk beschouwt zichzelf zoveel eeuwen al als het spirituele heelal, een universum waarbuiten geen heil te verwerven valt. ‘Extra ecclesiam nulla salus’, op zijn Latijns. De Amsterdammer zou het kapsones noemen. De Kerk zelf noemt het wijsheid - een wijsheid die ze zelf trouwens ‘ex cathedra’ verkondigt. In de genoemde ‘overpeinzingen’ staan een reeks notities over ‘het heelal’, nu als materiële grootheid. “Het heelal is geen kosmisch universum” staat erin. “Hoe zit dat?”, vroeg ik. “Voor mij is ‘heelal’ een algemeen begrip voor jouw ‘kosmisch universum’. Maar het lijkt me een kwestie van taal. De kosmos werd vroeger beschouwd als een gesloten orde - het toevoegsel ‘universum’ is dus dubbelop. Je zou je het ‘heelal’ echter wel kunnen voorstellen als een oneindig, beginloos iets.” “Maar”, schreef ik de overpeinzer, “zelf schrap ik, behalve in de poëzie, liever al de drie termen: helaal, kosmos, universum.” Wel noteerde ik kortgeleden: “Het enige heelal dat ik ken is dat van de vierenzestig velden. Het schaakspel is een perfect omsloten geheel, van buiten af ondoordringbaar, slechts te bewonen indien het geheel volgens haar perfecte regels wordt gespeeld – om dan te eindigen en om weer opnieuw te beginnen. Wellicht de betekenis van Nietzsche’s Eeuwige Wederkeer?” Het toeval wil dat ik gedurende drie maanden, elke donderdagmiddag, een partij schaak speelde tegen de broer van de schrijver van genoemde ‘overpeinzingen’. Let wel: één langdurige partij slechts. Aan het eind van elke donderdagmiddag noteerde ik steeds weer de resterende stand in mijn zwart-rode notitieboekje. Veel meer dan een zet of drie per twee uur deden we niet. Een schaakklok zou overbodig geweest zijn. Na een maand of twee slakkenschaak vroeg de schrijver van ‘de overpeinzingen’ me hoe dat nu eigenlijk ging, dat schaken tegen zijn broer. Gegeven de toestand in zijn bovenkamer kon die broer dat helemaal niet meer! Daarin was immers het grote dementeren begonnen. Pas toen ik op die vraag antwoord wilde geven en terugblikte op de gang van zaken, besefte ik het volgende. Zijn broer had me bij het begin van de partij in februari gevraagd of hij van mij af en toe eens een suggestie voor een zet kon vragen - tenslotte had hij zo lang geleden nog echt gespeeld. Prima! Elke week zette ik de stukken netjes volgens de genoteerde stand op het bord. Dan tuurde mijn tegenstander er twintig minuten naar en vroeg: “Wat denk je dat ik beste zou kunnen doen?” Waarop ik een aantal mogelijkheden opperde. Dan volgde weer een minuut of tien staren - en dan de vraag welke van de twee, drie genoemde opties ikzelf zou verkiezen. Die zet deed hij dan. Toen zijn broer me eind april vroeg hoe dat schaken dan wel verliep, wist ik opeens dat ik niet tegen mijn oude van dagen geschaakt had, maar met mezelf. De paradox van een schaakpartij waarin ik niet kon verliezen, niet kon winnen en geen remise kon spelen… Twee dagen geleden las ik de volgende regels in het prachtboek van Baricco: ‘Zijde’. “Hij trof Balbadiou bij Verdun, aan het biljart. Hij speelde altijd alleen, tegen zichzelf. Vreemde partijen. De gezonde tegen de eenarmige, noemde hij ze. Hij speelde één stoot op de normale manier en die daarna met slechts één hand. De dag dat de eenarmige wint – zei hij – vertrek ik uit deze stad. Al jarenlang verloor de eenarmige.” Zo zou ik misschien wel, na deze winst/verliespartij van zwart tegen wit c.q. wit tegen zwart, het heelal moeten verlaten – het heelal der vierenzestig velden, of misschien wel het heelal tout court. Wie weet hoever het dementeren in mijn eigen bovenkamer al aan de gang is. Opeens kan het licht uitgaan.
3.12/2008