Heiligdom
Op mijn wc mag ik graag lezen. Ik ken eigenlijk geen betere plek. Zogauw ik ook maar de minste druk bespeur op delen van het lager gelegen lichaam, schiet ik als een schigt het kleine hokje in. Zo gauw mijn billen de eerste schok van de koude bril verwerkt hebben, sla ik een zucht van verlichting. Niet omdat ik mijn lichamelijke afval kwijt ben, maar omdat lezen op de plee een zalig moment van rust is. Echt even een momentje voor jezelf. Met de broek op de enkels, ga ik er dan eens echt goed voor zitten.
Voor dit doel heb ik een boekenkastje gebouwd op de wc, eerlijkheidshalve zaten de planken er al in, maar ik heb ze met boeken gevuld, een lumineus idee, zo vond ik zelf.
Ik was er dan ook bijzonder mee in mijn nopjes. Het enige probleem was dat er qua formaat eigenlijk alleen maar pockets in pasten.
Toen heb ik mijn hele boekencollectie gescand op pockets. Ik liep met mijn vingers en het hoofd schuin langs de ruggen en overal waar ik een oranje Pinguin, gele Rainbow of blauwe Ooievaar zag, of van die kleurige kaften van het leeshuis, trok ik de pockets er meedogenloos tussenuit.Uiteindelijk had ik een hele stapel, die tot op de pocket op de planken paste! Alsof het zo moest zijn.
Nu heb ik mijn kleine pocketpaleisje. Mijn terugtrekplekje, mijn biechthokje vol wereldliteratuur. Dostojevski staat broederlijk naast Peter van Straaten, die weer gezellig naast Don de Lillo staat die gevoeglijk aanleunt tegen enorme buikige dundrukverzamel bundels van Herman Brusselmans.
Veel van de lectuur is dan ook erg handig in tijden van nood. Als er geen wc-papier is bijvoorbeeld. Dat wrange lot heeft een toenmalige scharrel van mij een keer moeten ondergaan.
We zaten eindelijk in mijn kamer. (Ik had erg mijn best gedaan haar daar te krijgen.) Het licht gedimd, kaarslicht, een derde fles wijn. Verleidelijkheid alom. Het moest nu gebeuren. Krols declameerde ik haar liederen en verzen en wachtte met van ongeduld trappelende lendenen tot ze murw genoeg was, zodat ik kon beginnen met haar uit haar kleren te pellen.
Toen moest ze even het kleine kamertje opzoeken. Zo terug, lachtte ze verleiderlijk haar wijnpaars gekleurde tanden bloot.
Na verloop van tijd begon het toch echt lang te duren, maar door mijn lodderigheid na anderhalve fles wijn, hoorde ik de bescheiden, ijle jammerklachten niet meteen die uit de richting van mijn heiligdom leken te komen.
Ze had een klein probleempje: Het wc papier was op.
Bronstig en beneveld als ik was dacht ik: ‘Ja, en? Eh je kan toch wel een keertje zonder?’
‘Doen wij ook altijd.’, deed ik er een schepje bovenop. Daarmee gevarlijk een van onze grootste en walgelijkste mannelijke geheimen prijsgevend, maar het was een noodgeval; ik stond nu echt op knappen. En dan had ik het niet over de wc maar over dat andere wat je met die delen kon doen.
Een lange stilte volgde. Ik werd schrikbarend nuchterder en nuchterder. Ik voelde gewoon aan mijn water dat dit niet ging zoals ik gehoopt had. Namelijk: hup panty en rok omhoog, op de bank, gezellig, nog een wijntje erbij en hup rok en panty weer uit en rollebollen maar.
De spanning werd ondraaglijk. Ze zou toch een keer iets moeten zeggen! Dacht ik verbeten
Uiteindelijk hoorde ik haar moed vatten: ‘Ehm... Ik ehm.... Ik....’
Na veel ge-iks en ge-ehms kwam het hoge woord er dan eindelijk uit.
‘Het is een eh... grote boodschap.’
Op slag kwam mijn libido tot rust. Door de drank en de doffe teleurstelling heen, moest ik nu met mijn benevelde hoofd, de beneveling was nu ineens weer in volle kracht teruggekomen, gaan beslissen welke pocket een paar van zijn bladzijden prijs moest gaan geven. Ik had het gevoel dat ik even moest gaan liggen. Alleen.
Na koortsachtig malen, welke pocket ik moest opofferen, leek me het eerste deel van de Dikke Komrij het meest geschikt. Ik hou van poezie, maar de verzen van een of andere minder bekende zeventiende eeuwse dichter moesten eraan geloven. ‘Neem de Dikke Komrij maar, eerste deel.’ Schreeuwde ik tegen de deur.
‘Wie?’
Na de vijfde keer had ze hem.
Toen ze naar buiten kwam was de situatie natuurlijk niet meer te redden. Ze pakte haar tasje en vestje en zei besmuikt en treurig: ‘Ik denk dat ik maar ga.’
Ik liet haar uit en bleef nog een hele tijd stilstaan met mijn voorhoofd tegen de dichte deur.
Niet alleen waren mijn kansen op een ‘succesvolle’ avond in de kiem gesmoord. Ook mijn heiligdom was geschonden. Het duurde een hele tijd voordat ik weer ontspannen op de wc kon lezen zonder door moedeloosheid te worden overvallen.