HERMANDAD
Met mijn oudste zoon aangekomen bij het Zuidstrand van Katwijk, draaide ik vanmiddag de auto de parkeerplaats op. Er staan op dit pleintje, met ruimte voor een auto of vijftig, precies vijf andere wagens. Vandaar dat je in de wintermaanden niet meer hoeft te betalen. Mooie geste van deze gemeente – ze maken duidelijk dat het hen niet is te doen om geldpompen. Dat leg ik mijn zoon uit, die het beaamt.
Na een mooie strandwandeling en een lunch aan zee wandelen we terug. Op de auto zit een bekeuring tussen de ruitenwisser en het raam. Niet geheel wetenschappelijk roep ik nog ‘Dat kan helemaal niet’, wijzend op de gesloten automaten. Het is de derde bon in mijn hele Hollandse leven, de vorige betroffen snelheidsovertredingen van respectievelijk 53 en 52 km/u.
De bon geeft aan dat ik op een parkeerplek voor invaliden sta. Dat bordje had ik gezien, en dus was ik juist niet op die plaats gaan staan. Nadere inspectie leert echter dat er onder het bordje nog een cijfer 3 staat met naar weerszijden pijltjes. Het gaat om drie invalidenplekken. Om borden uit te sparen – daarvoor zal hier geen geld zijn, omdat Katwijk immers ’s winters niet meer int…
In elk geval begreep ik het niet. Deze zee van voor talloze invaliden ter beschikking staande parkeerruimten maakt de bon bespottelijk. In zo’n geval wil ik wel even de man of vrouw diep in de ogen kijken die zoiets weet te presteren. Dus gaan we samen naar het politiebureau.
Daar wordt een jongmens, pas van de politieschool, opgepiept die blijkbaar na het uitdelen van mijn bon ijlings is teruggekeerd naar zijn stamplek, om daar in drievoud melding te maken van zijn enorme wapenfeit. Extra blauw op straat, zingt het door mijn hoofd – maar blijkbaar niet langer dan nodig, net genoeg voor een extra bonnetje.
Of hij het zelf niet kinderachtig vond, zo’n bon voor een auto op een kale parkeervlakte? Zeker, nu ik hem uitlegde hoeveel waarde ik hecht aan plekken voor invalide bestuurders, iets waar ik altijd scherp op let. Ook leg ik hem uit dat de betekenis van de ‘3’ cum pijltjes me was ontgaan. Hij wordt rodig. Er staat inmiddels, ter geestelijke ondersteuning, een toch ook nog jonge agent naast hem. Dan komt het eruit: “Gemeente en politie doen hier aan strenge handhaving, meneer!”
Geestelijk minder valide vind ik ‘’t. Maar ik zeg het niet, ook al wijst het handschrift op het bonnetje eveneens in die richting. We vertrekken maar. Nu kan ik volgens de bon beroep instellen bij de officier van justitie, en wel schriftelijk. Ik ben echter een rationeel fatalist. Mijn zoon, die een knappe jurist is, zegt: ‘Doen Pap!’ Ik zeg, ‘Joh, wanneer jij zelf zegt, dat het toch op niks uitloopt, heb ik wel wat anders te doen.” Bijvoorbeeld dit tekstje schrijven als mijn schriftelijk beroep.
Dit bedoelde ik, toen ik ooit voor u opschreef dat ‘de kloof tussen burger en politiek’ een fictie is, maar die tussen burgers en ambtenaren eentje van Grand Canyon proporties. Die echte kloof produceert met wat kitteling van geheel verkeerde journalisten en politici vervolgens die fictieve eerste kloof.
Vanzelfsprekend stuur ik dit stukje op maar de Katwijkse dienders.
Sierksma, Haarlem 18.11/2010