Het spel der verleiding

 

Er zijn van die momenten dat ik bijna tegen alle logica in religieus zou worden. Niet omdat ik behoefte heb aan één of meerdere goden, maar omdat het lijkt alsof de duivel een spel met me speelt. Het spel der verleiding. De verleiding tot iets dat nooit goed kan gaan. Op zo'n moment lijkt het alsof er op elke keuze die ik maak allang werd gerekend, alsof ik tegen een schaakgrootmeester speel die vele zetten vooruit denkt. Neem dit moment nou, bijvoorbeeld. Hier op het museumplein om een uurtje of zes. Mijn grote beproeving is begonnen, en ik heb het nog niet eens in de gaten.
 
Leren zal ik, trainen op dat ene ogenblik. Ik zal niet bevend voor de vierde keer mijn examen maken. Nee, ik zal overwinnen. De stof compleet meester zijn. Elke verleiding zal ik het hoofd bieden. Veel te laat en uiteraard met tegenzin zeg ik een pokeravond af. Het gok-element, de ontlading, de verbijstering, het bijpraten en vooral de gezelligheid liggen voor het grijpen. Ik grijp er opzettelijk naast, met gepaste trots. Een avondje karaoke dan? Nee, dat moest ik maar niet doen. "Ja maar, ja maar!" hoor ik ergens door mijn hoofd galmen. Nee, dat moest ik maar niet doen. Ik vind het een verstandige zet. Wellicht niet de gezelligste, noch de meest ontspannende. De verstandigste? Ja, dat dan weer wel.


Gezellig dineren met een van de meest charmante dames die ik ken? Ik laat haar per sms weten dat het misschien niet het juiste moment is, terwijl ik me uiteraard afvraag waar ik in hemelsnaam mee bezig ben. Deze onbegrijpelijke daad vervloekend wandel ik langs het Rijksmuseum, knik beleefd naar Harry Mulisch die wat moeizaam voorbij schuift (terwijl ik me later die avond toepasselijk af zal vragen of ik de hel of de hemel heb ontdekt) en voor ik er erg in heb sta ik op het Leidseplein. Na enige twijfel besluit ik mijn avondeten niet te laten bestaan uit een warm bittergarnituurtje, en loop ik met pijn in mijn hart een van mijn favoriete kroegen voorbij. De pijn in mijn hart is niet in de laatste plaats te verklaren door de zeer bevallige levendige jongedames waarmee deze kroeg gevuld is. Ik doe het niet, ik doe het niet.


Wanneer ik even later ter hoogte van de Leidsegracht over de Prinsen struin, herrinner ik me dat het negentien december is. De dag waarop het ooit allemaal gebeurde, elf jaar geleden. Puur uit jeugdsentiment besluit ik eens langs te wandelen, daar waar (onder het mom: "alles wordt anders") tegenwoordig geen wekelijkse activiteiten meer plaatsvinden op de vrijdagavond. In de verte zie ik een oude vriend staan, die verre van verbaasd lijkt mij op die plek tegen te komen. Er blijkt een borrel te zijn ("check jij je email nooit, ofzo?"), en ik besef dat ik een paar weken achter loop met het openen van mijn post. Ik geef halfhartig aan dat ik er vandoor moet, dat ik sterk moet zijn, en al vind ik het ergens een excuus van niks, ik kom er mee weg. Nerds en hiphoppers onder elkaar begrijpen dat. Het gevaar is echter nog niet geweken...


Het wordt steeds drukker. Bekende stemmen grijpen om zich heen. Een oude vriendin komt aanfietsen, en er klinken steeds meer ratelende frames en sloten. Voor ik er erg in zal hebben zal ik genadeloos worden meegezogen in de veel te gezellige drukte, zal ik me tussen mijn tweede familie begeven, zal er worden gesproken, gelachen en gedronken tot waar de nacht ons moge brengen. Maar het mag niet. Het is onbeleefd, wellicht zelfs onbeschoft, maar ik moet maken dat ik weg kom. Vluchten voor het te laat is, voordat het geluk me overspoelt. Leren zal ik, leren tot ik de stof kan dromen. Als een dief in de nacht maak ik me onzichtbaar, en verdwijn in de typisch Amsterdamse steegjes die ik ken als mijn broekzak. Zoveel toeval kan niet normaal zijn, zelfs niet voor iemand die niet in toeval gelooft.


Na een kwartiertje passeer ik een blaffende vis. Dat is overigens niet zo'n vis die Jezus Christus volgens Hans Teeuwen toegesproken zou hebben met de woorden: "Sta op en loop.". Nee, ik heb het hier over het gelijknamige café dat evenals Eijlders boordevol aantrekkelijke studentes zit. Ik heb inmiddels al verwerkt dat dat er niet in zit vanavond, dus het kost me al minder moeite om stoïcijns rechtdoor te lopen. Als ik het café bijna voorbij ben, maak ik de fout om nog even een blik schuin omlaag te werpen. Een blonde schone staart me aan met een blik alsof ze me elk moment wil bespringen (ze laat nog net niet het puntje van haar tong langs haar bovenlip glijden). Als dat me al ooit gebeurd was, had ik dat volledig gemist. Ik voel mijn hormonen door mijn lijf razen; fluisterend, schreeuwend, sturend. Nu weet ik het zeker, de duivel is een veel betere schaker dan ik. Ik sla me er doorheen, nieuwe valkuilen vermoedend.


Tegen de tijd dat ik mijn favoriete afhaal-Indonees bereik (een zonde die ik mezelf toe sta, aangezien het in een geheel andere categorie valt), kijk ik nergens meer van op. Als ik me nauwelijks twee seconden later omdraai en een veel te leuke dame in de ogen staar, verbaast dat me niks. Toch schrik ik even (zoveel schoonheid in één vrouw zie ik niet elke dag), tot overmaat van ramp schrikt zij terug. Ik kan het niet laten haar aan het lachen te maken met opmerkingen die ik zelf ook erg spitsvondig vind. Mijn hart schreeuwt: "Jaaa!" Mijn hoofd schreeuwt: "Neeee!". De gemengde signalen zullen ongetwijfeld niet van de lucht zijn. Ook zij bestelt één maaltijd, hetgeen een veel te goed teken is. Als het ideale moment zich aandient om met een brede glimlach te vragen: "Eten we bij jou of bij mij?" weet ik me te bedwingen. Ik pak mijn vers opgewarmde diner aan, wens de eigenaar een prettige vacantie toe en been zonder om te kijken de zaak uit. Alsof de duivel me op de hielen zit.


Vijf minuten later zit ik thuis. Ik heb het gehaald, ik heb mijn doel bereikt. Hier zit ik dan. Nu gaat het gebeuren. Nu gaan we spijkers met koppen slaan. Maar voorlopig ben ik de hele reis nog even aan het verwerken. Ik kan er nog steeds niet over uit dat ik zoveel pracht heb laten schieten. En waarvoor? Om de discipline, om de tijd. Tijd die hard nodig is om te leren. Aan de andere kant: tijd zonder gezelligheid... is toch eigenlijk slechts tijd? En er moet toch geleefd worden? Want als je niet leeft, dan... dan... nu ja, dan ben je jezelf toch aan het bedriegen? Aan het verloochenen? En zijn levenslessen niet per definitie veel belangrijker dan duffe theorie? Ondanks dat alles kan ik het niet laten om met een grote grijns aan tafel te zitten, terwijl de geur van Bak Soi en gele kip me tegemoet komt. Eén belangrijke les heb ik (weliswaar voor de zoveelste keer) in elk geval geleerd: Godverdomme, wat is Amsterdam toch schitterend!