Hybride
In het eerste en het laatste hoofdstuk van het boek van Gijs Herderscheê (De Geldpomp; hoe Nederland de miljarden verdeelt [en er af en toe wat weglekt]. Amsterdam, uitgeverij Balans 2010) wordt onze aandacht gericht op begrafenisverzekeringen. Dit soort verzekeringen stond aan het begin van de ‘onderlinge’ sociale zekerheid en zoals het er naar uitziet zijn enkele ervan ook vandaag de dag nog niet helemaal van hun oorspronkelijke uitgangspunten afgedwaald. Dat is bijzonder. Omdat de overheid vanaf 2009 begrafeniskosten niet langer als aftrekpost erkent ziet hun toekomst er zelfs beter dan ooit uit. Met andere onderdelen van zelfgeorganiseerde solidariteit die in contact met de centrale overheid zijn geweest staat het er minder goed voor. De meeste uitkeringen zijn ‘genationaliseerd’, zoals Herderscheê dat noemt, en andere initiatieven zijn hun aanvankelijke leden zover ontgroeid dat zelfs de overheid, ondanks het bedenksel van de ‘maatschappelijke onderneming’, er niet goed raad mee weet. Dat roept de vraag op waarom de sociale zekerheid wel en zorg- en woonarrangementen niet zijn ‘genationaliseerd’. Volgens Herderscheê kunnen we daar eigenlijk ook best de scholen aan toevoegen omdat het daar steeds minder om geloof en gezindte gaat en steeds meer om sociaaleconomische en raciale scheidslijnen.
In alle gevallen speelt de overheid direct of indirect een cruciale rol in de financiering van de arrangementen. Bij de sociale zekerheid komt daar echter nog wat bij: hier heeft de overheid zich meester gemaakt van de uitvoering ervan. Waarom? De verklaring is politiek. In de opbouw van een statelijk verpakt maatschappelijk ‘middenveld’ hebben de christelijke politieke partijen, steeds in combinatie met liberalen dan wel sociaaldemocraten, de beslissende rol gehad. De nationalisering van de sociale zekerheid vond plaats gedurende de paarse kabinetten – de eerste en tot dusver enige kabinetten waarvan de christelijke politieke partijen waren uitgesloten. Paars heeft de sociale zekerheid van vakbeweging en werkgevers afgenomen. Aan andere arrangementen is Paars niet toegekomen en sinds het CDA weer in de regering zit wordt er wel als altijd veel gekankerd op dat middenveld en, gegeven de ‘professionalisering’ van en de ‘marktwerking’ in zorg, onderwijs en huisvesting, wordt het gekanker tegenwoordig steeds luider begeleid door geweeklaag over de beloningen van bestuurders – maar tot het door de overheid overnemen van de uitvoering van die arrangementen is het niet gekomen. Wel leidt het tot de vraag wat er met de pensioenfondsen gaat gebeuren want die worstelen net als die andere hybride organisaties met het probleem van wie die miljarden nu eigenlijk zijn, en de pensioenfondsen staan wel dicht bij de al genationaliseerde overige sociale zekerheid. Het zou mooi zijn als er eens een systematische geschiedenis geschreven zou worden over hoe diverse stichtingen en stichtingen van stichtingen gebruik hebben gemaakt van de onduidelijke eigendomsstatus van de bijeengebrachte gelden, om er bij gelegenheid leuke dingen mee te doen – zonder dat degenen voor wie de fondsen ooit bedoeld heetten te zijn daar wat over te zeggen hadden. Zonder dat ze het doorhadden ook, of het pas doorkregen toen het te laat was. Zoals met de verkoop en de gevolgen daarvan van het havenpensioenfonds. Dat in dat opzicht allerminst uniek is gebleven. Het is, in ditzelfde verband, overigens jammer dat de pensioenfondsen als zodanig door Herderscheê wat karig worden bedeeld in zijn verhaal. Overigens, wat er wel wordt verhaald is ook zonder die pensioenfondsen de moeite meer dan waard.
Voor iemand zoals ik is het boek een ware Fundgrube van de gebeurtenissen die de polders hebben gemaakt tot wat het is. Tegelijk besef ik dat de schrijver daarmee z’n publiek heeft beperkt – wie het allemaal niet heeft meegemaakt of in onderwijs en in nieuwsgaring heeft meegekregen dan wel opgepikt, zal er een zware dobber aan hebben. Niet omdat het moeilijk geschreven is, allerminst. Het is geen kwestie van schrijfstijl, het is een kwestie van herkenning. De proef zouden, behalve de parade van meer en minder bekende namen van de bespelers van het polderveld, de afkortingen kunnen zijn. Ik moest toch weer even wat opdiepen bij het weer tegenkomen van brouwsels als de diverse varianten van de OSV, van Tica, Ctsv, Uszo, SFB, Guo en zo veel, veel meer. En dan heb ik ze in mijn werk in enigerlei verband nog wel eens moeten onderzoeken, vroeger en soms wat langer en soms niet eens zo lang geleden. Wie dat gemengde genoegen niet heeft gehad zal het lezen minder eenvoudig vallen, vrees ik. En dat is jammer want het boek verdient een groot lezerspubliek.
Herderscheê spreekt enigszins verbaasd over het verdwijnen van de publieke arbeidsvoorziening, dus de arbeidsbureaus, de CWI’s, en nu ook het ‘werkbedrijf’ van het UWV. Alle landen hebben een publieke arbeidsvoorziening, alleen Nieuw-Zeeland en Nederland niet of niet meer. De laatste fase van onze arbeidsvoorziening was al een fase zonder invloed van werkgevers en werknemers. Het was dat ene loket waar Flip Buurmeijer zo blij mee was (Buurmeijer is de man die met afstand het vaakst wordt genoemd in het boek). Een levenswerk! Een beter recept voor mislukken dan dat ene loket waar je niets te vertellen hebt als je werk zoekt en waar de werkgever geen toegang heeft, lijkt me niet eenvoudig te bedenken. Er is inmiddels dan ook niets van over. Het is blijkbaar niet meer nodig. Waarom niet? Omdat de sociale zekerheid van vandaag wordt ingezet om te bereiken wat de arbeidsvoorziening nooit wist te bereiken: het vermijden van de situatie dat je bij de sociale zekerheid moet aankloppen. Kom je bij de sociale zekerheid op de koffie dan kun je het wel schudden. Dat besef is tamelijk wijdverbreid zo zoetjesaan en wie heeft dan nog een afzonderlijke arbeidsvoorziening nodig? Met de stok van de sociale onzekerheid achter de deur kan de markt het beter. Flexwerk rukt steeds meer op – over niet al te lange tijd hebben we het wapengekletter over het ontslagrecht opgeborgen in het archief van de dingen die voorbij zijn gegaan. Het is zo eenvoudig: maak van het arbeidsrecht zelf een voorziening, privatiseer die vervolgens en klaar zijn we. Die conclusie had, naar aanleiding van de ontmanteling van de publieke arbeidsvoorziening, in dit rijke boek best een plekje mogen hebben.
De werkgevers en de werknemers zijn de uitvoering van de sociale zekerheid kwijt. Als ik me niet vergis zouden de werkgevers er ook niet rouwig om zijn als dat zich ook over de pensioenfondsen ging uitstrekken. Dat roept het vermoeden op dat de begrafenisfondsen het zo gek nog niet hebben gezien. De onderlinge kan best – maar dan in de beperkte betekenis van het woord, een betekenis die de kring niet groter maakt dan hen die hebben ingelegd. Vanuit dat gezichtspunt zijn gezamenlijke fondsen van werkgevers en werknemers op zichzelf al hybride – en dat is geen aanbeveling in onrustige tijden.
Als ik de toon van het boek goed heb beluisterd ontwaart Herderscheê nog genoeg van waarde in de vertrouwde hybride polder als ontmoetingsplaats. Maar, met het verdwijnen van de uitvoering van de sociale zekerheid zijn er minder ontmoetingen. Ook minder baantjes en de bijbehorende emolumenten maar vooral minder ontmoetingen en in die ontmoetingen, in het overleg, lag de ‘functie’ van de polder. Het bevorderde de expertise over de sociale zekerheid en het bevorderde het onderlinge begrip, ook als de meningen behoorlijk uiteenliepen. Daar is aan getornd en niet zo’n beetje ook. Herderscheê betreurt dat, en is allerminst zeker over het vervolg, over de toekomst van de polder. De werkgevers presenteren zich tegenwoordig liever als ondernemer dan als werkgever, de vakcentrales zijn niet immuun voor de politieke polarisatie in het land en hoe graag je de rust ook wilt bewaren in arbeidsvoorwaardenland, het kan zo uitkomen dat je die rust niet langer als het kroonjuweel van de polder wilt koesteren. Inderdaad, het kan zo uitkomen.
Overigens is van de armen begraven worden ook de schande niet meer die het ooit was. In Amsterdam, zo meldt de schrijver, is er zelfs een ‘grafdichter’ voor aan het werk. Met de auteur hoop ik dat zijn boek niet een gedicht is, uitgesproken bij de begrafenis van de polder.
10 juni