Thijs

 

Ik heb eens een opmerking gelezen van Gabriel Garcia Marques, die zei  je moet als schrijver niet schrijven die niet op zijn minst twintig jaar gelden zijn gebeurt. Schrijf je er eerder over dan is het nog veel te dicht bij je zelf. Dan doet het nog teveel pijn en kan je je gevoel nog niet echt los laten dus niet goed over schrijven. Het meeste wat ik schrijf is redelijk kort geleden gebeurt.  Nou wil ik mezelf niet vergelijken met de Marqués, ik kan niet in de man zijn schaduw staan wat schrijven betreft, maar ik denk dat hij in sommige gevallen zeker gelijk heeft.

Laatst vertelde ik Es van Essen dat ik een tijd een hond had gehad. Zij vroeg mij waarom ik daar nooit over schreef. In een enkel gedicht van mij komt hij voor als, het zwarte monster die grommend aan zijn ketting trekt en alleen maar blikken chappi lust. Maar voor echte verhalen is het nog een beetje te pijnlijk.

De hond en ik zijn samen onderweg geweest naar Santiago de Compostela. We hebben veel plezier gehad samen en hebben lekker gelopen. In enkele gevallen was ik erg blij dat hij bij me was. Een keer toen er iemand snachts onze tent in kwam en niet met goede bedoelingen. Thijs zoals de hond heette heeft de indringer al blaffend de hele camping over gejaagd. Een andere keer toen we sliepen in een hostal stonden er drie man voor mijn bed, één al met mijn rugzak in zijn handen, en ook daar deed Thijs alsof hij een vreselijk agressieve vechthond was. Hij oversteeg zich zelf op dat soort momenten, want eigenlijk was hij een vreselijk bange schijtert. Hij was een kruising tussen een Bordercollie en iets wat behoorlijk groot en zwart behaard geweest moet zijn.  Slim, pienter en als hij zin had kon hij erg goed luisteren en, niet onbelangrijk als je op bedevaart bent,  hij kon lopen als een kieviet. 

Het verhaal dat ik Es vertelde was, dat toen ik eens oud en nieuw vierde met een grote schaal oliebollen op tafel, gingen de aanwezige mensen om twaalf uur kijken naar het vuurwerk. Thijs was natuurlijk bang voor vuurwerk. Wij stonden voor de deur en elke keer holde hij naar buiten en dan wist hij niet, hoe snel hij weer naar binnen moest komen. Schijtert zeiden wij lachend tegen elkaar. Maar toen we binnen kwamen bleek dat alle oliebollen, toch een stuk of vijftien,  verdwenen waren. Thijs zat tevreden op zijn vaste stek. Wij waren natuurlijk kwaad. Maar ik was vooral verbaasd dat hij niet hartstikke ziek werd van al die vette bollen.

Toen ik savond in mijn bed ging liggen voelde ik dat er iets onder mijn kussen lag en toen ik voelde bleek dat hij een oliebol verstopt had voor later. Ik vond de volgende dag een oliebol tussen de handoeken en tussen de kussens op de bank lagen er ook een. Verstopt achter een pot met planten bij de televisie vond ik er ook een. Toen Thijs de volgende dag een uur voor een dichte kastdeur stond te piepen wisten wij dat hij er daar ook nog enkele verstopt moest hebben.

Dit is een beetje warrige column. Thijs is dood denk ik. Dat vind ik rot.

En het is nog geen twintig jaar geleden en toch schrijf ik er over. Maar wat Thijs ook was hij dacht wel aan de toekomst. In mei vond ik nog een oliebol in een van mijn schoenen die in de kast stonden. Daar had hij al die maanden niet bij gekund.